Karel de Grote, de naam is al meerdere keren gevallen, heeft
een eigen venster in de nationale canon die vanaf 1 augustus 2009 verplicht deel
uitmaakt van het geschiedenis curriculum op onze scholen. Hierin wordt vooral
benadrukt dat hij een enorm groot rijk had, waardoor hij constant rond moest
reizen om zijn gezicht te laten zien aan zijn onderdanen en zijn zwaard te
laten voelen aan hen die hem niet als hun heer wilden beschouwen. En dat 33
jaar lang. In veel lesmethoden die ik heb bestudeerd wordt hij bijna als de
grondlegger, de vader, van de Europese Unie gezien. Ik vind dat te veel eer.
Bovendien is het hem nooit gelukt de hele boel echt bij elkaar te houden en na
zijn dood viel zelfs het deel waar dat wel redelijk ging al snel uit elkaar.
Nee, de vader van Europa was hij niet, al was hij wel een onuitputtelijke bron
van verhalen. Wie kent niet het duistere verhaal over Karel en de Elegast of het dramatische De vier Heemskinderen. Iedereen met een beetje voortgezet onderwijs
heeft daar wel kennis meegemaakt. Toch? Of niet? Ik vrees eigenlijk dat dit
onderdeel meer afhankelijk is van wat de individuele leraar ermee doet, want in
de lesmethoden wordt er maar met mondjesmaat aan gerefereerd.
Dat moet Agave Kruijssen een doorn in het oog geweest zijn.
Kruijssen is al jaren bezig die verhalen, en niet alleen die over Karel de
Grote, voor een jong publiek opnieuw te vertellen. Dat doet ze namelijk ook met
koning Arthur, met bestaand hebbende middeleeuwse en latere Nederlandse vorsten
en met alom bekende (?) sagen en legenden. Ik heb geen van die boeken gelezen,
maar omdat ons dagblad het verschijnen van haar laatste roman berichtte, en
omdat het onderwerp precies in mijn leesplan viel, heb ik het aangeschaft. Het
is De keerzijde van de keizer (Tielt
2012). Het zou een verhaal zijn over een bastaard van de keizer die diens
opvolger, Lodewijk de Vrome, moet gaan vermoorden. Bas Maliepaard, in zijn korte
recensie in Trouw, vond het een boek dat “staat als een huis”. Hij had echter
wel wat kritiek en die deel ik. En ik heb nog meer…
Je zou verwachten dat dit een spannende, thriller-achtig
jongensboek is, gezien het hierboven gegeven plot. Niets is minder waar. Het is
een uitermate saai boek. Tenminste: voor mij als volwassene. En ik denk
eigenlijk ook voor jongens. Misschien dat meisjes van tegenwoordig het wat
kunnen waarderen, maar die verdenk ik er ook van dat ze liever over een wat
pittiger hoofdpersoon lezen. Tjerk, die eigenlijk Theoderic heet, is dus een
natuurlijke zoon van keizer Karel bij één van zijn vele bijvrouwen. Zijn moeder,
Ethelinde, is vlak na de dood van de keizer met Tjerk gevlucht naar Friesland.
Waarom kom je pas aan het eind van het boek te weten, dus dat vertel ik maar
niet. Maar intussen wordt die jongen – zonder die reden te weten - op pad gestuurd om de huidige keizer te
vermoorden. Een zo uitgesproken antiheld als deze is in de jeugdliteratuur niet
makkelijk te vinden. Hij vraagt niet waarom, dat komt hij al verhalen
luisterend, dus pas aan het eind te weten. Hij doet verder niet veel meer dan
van de ene verhalenverteller naar de andere te reizen en dan een stel vertellingen, al of niet
aangedikt, aanhoren. Hij moet die van de biograaf Einhard verzamelen voor een
in opdracht van de koning te maken biografie van keizer Karel. En dan komen die
bekende verhalen dus allemaal langs. Ze zijn wel zo vormgegeven dat ze op een
min of meer logische manier bij elkaar aansluiten en onder de vertellers zitten
een paar verrassende personen. Kruijssen schrijfstijl is soepel en die figuren
krijgen een tamelijk overtuigende menselijkheid mee. Of die altijd zo
historisch verantwoord is betwijfel ik, temeer omdat het taalgebruik nogal erg
modern is. Misschien om jongelui niet af te stoten, maar het komt een beetje
gedwongen over als de hoge edelvrouwe Bertrada roept: “Doe me een lol en ga Ada
even zoeken”. En dat is maar één voorbeeldje. Ook voel ik me niet helemaal
lekker in de historische omgevingen. Aan de ene kant zijn ze erg schetsmatig,
anderzijds komt er wel eens een anachronisme voorbij. Maar daar hebben meer
schrijvers van historische romans last van.
De held is dus nauwelijks een held te noemen. Hij is in het
grootste deel van het verhaal een nog geen twaalfjarig jongetje dat goed latijn
kan schrijven en dat nogal bangelijk en aarzelend aangelegd is. En dat niet
gewend is paard te rijden dus op de blaren moet zitten. In de loop van het boek
kom je trouwens pas achter die niet bepaald heldhaftige eigenschappen. Als je
omslag bekijkt krijg je namelijk een heel andere indruk van wat je te wachten
staat. Daarop kijkt een minstens 25-jarige slecht geschoren en donker gekrulde
jongeman je broeierig aan, die een dubieuze replica van een ceremonieel zwaard vasthoudt.
Het is in ieder geval geen Karolingisch zwaard. Bovendien heeft Tjerk het hele
boek geen zwaard aangeraakt. Het zoveelste voorbeeld dus uit de verzameling van
omslagen van historische romans van een vlag die de lading niet dekt. Te meer daar
op de achterkant van het boek wel wordt gesuggereerd dat hij een zwaard op de
keel van de keizer moet zetten.
Het is natuurlijk best interessant om al die bloederige
oorlogen, schone vrouwen en krijgshaftige vechtjassen een beetje in context
geplaatst te zien en in een logische volgorde te horen wat er tijdens Karel de
Grotes leven allemaal gebeurde. De bekende sagen en legenden worden er handig in verweven, maar het wordt maar niet spannend of interessant.
Tenminste; niet voor mij. Kruijssen laat ergens aan het eind Tjerk zeggen: “De
geschiedenis is een soort marktkraam. Je pikt eruit wat je van pas komt. En als
je niets van je gading kunt vinden, verzin je het gewoon”. Een moment van
inzicht voor een chronikeur die propaganda moet schrijven. Ik vind echter ook
dat de schrijfster daar schuldig aan is; ze heeft die verhalen bij elkaar
gezocht en er een verzonnen raamwerk omheen verzonnen met werkelijk bestaand
hebbende personen. Wat ze echter verzuimd heeft is er een spannende roman van
te maken en dat vind ik eigenlijk zwak. Daar helpt geen spannende cover aan.
Agave Kruijssen, De
keerzijde van de keizer (Tielt 2012), 400 p.








