zaterdag 12 juli 2014

Van wambuizen, roxkens en bolle broeken


Opname uit Michiel de Ruyter, let op de blote armen en benen, hemden en openhangende vesten.

De moderne mens is gewend aan comfort: dubbel glas, centrale verwarming, electrisch licht, warm en koud water, magnetron en inductiekookplaat, en als je het helemaal luxe wilt hebben een wasdroger en een afwasmachine.  Binnen en bij mooi weer loopt men in luchtige katoenen kleding die makkelijk in snelle wasmachines kan worden gewassen en gecentrifugeerd. Voor als het koud is hebben we lichte fleece jassen en als het regent hebben we regenkleding van kunststof. Dat is natuurlijk niet altijd zo geweest. Ik ben opgegroeid in de jaren vijftig en wij hadden thuis één kolenkachel, koud stromend water, enkel glas en vochtige muren. De waterleiding bevroor wel eens in een strenge winter en dan moest mijn vader met emmers water uit de rivier putsen. Die moest mijn moeder dan in pannen of ketels op het tweepits gasstel koken, zodat we tenminste vrijdags in de teil konden. Ik doe hier niet zielig over: je wist gewoon niet beter.


Zo zag Willem van der Marck, graaf van Lumey, er echt uit...

Verder terug in de geschiedenis was het nog een stukje primitiever. Maar ook de mensen die toen leefden wisten niet beter. Er zat sinds de prehistorie trouwens toch steeds een stijgende lijn in de mate van comfort waarop men kon rekenen. De wandhaard was een duidelijke vooruitgang vergeleken met het open vuur midden op de vloer. Vensterglas was beter dan ramen met alleen maar luiken. Kaarsen en olielampen waren beter dan alleen het licht van het haardvuur. En wollen en linnen kleding zorgde ervoor dat je in een tochtig huis, waar zelfs die wandhaard een kamer niet fatsoenlijk kon verwarmen, het toch een beetje comfortabel had. Desnoods in drie of vier lagen over elkaar.


...en zo ziet Cees Geel eruit in de rol van Lumey voor het filmpje voor Dordrecht.

Dat gebrek aan comfort kunnen hedendaagse westerse mensen zich bijna niet meer voorstellen. En dat zie je terug in het wereldje van Levende Geschiedenis (LG) en Re-enactment (RE). Bij warm weer gooien ze het liefst hun wollen ‘rock’ of ‘wambuis’ uit en lopen in hun hemd. Vrouwen doen het liefst hun hoofdkleden af of winden ze zo om hun hoofd dat zoveel mogelijk hals onbedekt blijft. Als ex-verantwoordelijke bij tientallen buitenoptredens van mijn RE club heb ik dikwijls flink moeten soebatten om de mensen weer in de kleren te krijgen. In de middeleeuwen en tot ver erna liep je als het even kon niet in je hemd. Dat wees op armoe en boers gedrag. Alleen bij de zomeroogsten bij echt warm weer mocht je als arbeider op het veld hun bovenkleding uitdoen. Als man dan, niet als vrouw. Die deden weliswaar wat ze konden om het wat luchtiger te hebben: rok opknopen, korte mouwen (vanaf de 14e eeuw), hoofdkleed opbinden, etc.
Toen het gevoerde wambuis opkwam sinds de tweede helft van de 14e eeuw en de hozen daar via veters aan vast gemaakt werden (ervoor zaten ze aan de band van de onderbroek vast), was het daar ook in boerse kringen mee afgelopen. Als je je wambuis uittrok, zakte je broek af: simpel. Riemlussen waren nog niet uitgevonden en er was geen  elastiek. Dus hozen, en later de bolle broeken als de Venetiaanse of Spaanse, moesten aan het wambuis worden vastgeknoopt of gehaakt.


De scheepsjongens van Bontekoe in hun flodderkleding en vestjes.

Dat principe is problematisch voor de moderne man: hij vindt het te onhandig en te warm. Hij zweet er te erg in. Hij is gewend dat een broek zichzelf ophoudt. Het gevolg is dat je in niet zo authentiek geörienteerde RE en LG kringen dikwijls de middeleeuwers of 16e en 17e eeuwers mannen in hun hemd en hozen/broeken ziet lopen. Die broeken worden dan opgehouden door een riem. Niet alleen bij LG en RE zie je dat, maar vooral ook in de film of tv, als er een historische film wordt gedraaid. Ook op toneel en de musical kom je ze tegen, en van al die media uitingen afgeleid in illustraties, strips en games. Zoöok in de recente serie van Nederlandse historische films als de scheepsjongens van Bontekoe, Rembrandt, Kenau en nu weer Michiel de Ruyter en het filmpje over de eerste vrije statenvergadering in Dordrecht. En ik verwacht van de aangekondigde film over Willem van Oranje eigenlijk niet veel anders. Alleen bij de overwintering op Nova Zembla hielden de acteurs hun wambuizen aan, maar die speelde in de winter in het hoge noordenen dus was het koud. Hoewel…


Willem Barendsz. en consorten, toen het nog geen winter was...

Om niet helemaal in hun hemd te lopen wil men nog wel eens een mouwloos, open hangend ‘vest’ over het hemd aan trekken; dan lijkt het nog wat. Maar ook dat klopt niet. Een dergelijk mouwloos geval bestond van de tweede helft van de 16e tot en met de eerste helft van de 17e eeuw wel. Het werd een ‘roxken’ genoemd (jasje) en was een soort bodywarmer. Het werd echter over het wambuis aangetrokken en niet in plaats van. Als het echt koud was dus. Twee maal mouwen over elkaar was geen optie (al schijnen er wel roxkens met wijde, aangeveterde mouwen geweest te zijn) want dan kon je je armen moeilijk bewegen. Mouwloos dus, als bovenste laagje als het koud was. Roxkens mocht je ook gedeeltelijk opengeknoopt dragen, je wambuis niet. Niet dat dat laatste nooit gebeurde; er zijn altijd uitzonderingen geweest. Maar het werd wel afgekeurd in de tamelijk gesloten en sociaal controlerende maatschappij van die dagen.


De cast van Kenau in flodderkleren en onmogelijke combinaties van kledingstukken. En de hoofdrol zonder muts...

De hedendaagse man kan er niet meer tegen om opgesloten te zitten in dikke, soms dubbel gevoerde kleding. Of wijde, driedubbel gevoerde en opgevulde broeken te dragen. Daarom worden voor films e.d. die buizen zo dun mogelijk gehouden en flodderen de broeken om de benen.  Het is, in mijn ogen, geen gezicht.


Shot van de jonge Rembrandt in hemd over de broek en open hangende, te lange wambuis

In tegenstelling tot de middeleeuwen hebben we over de 16e en 17e eeuw voldoende realistisch beeldmateriaal om het beter te kunnen doen. Ik voorspel echter dat het geflodder in Willem van Oranje aan de orde van de dag zal zijn, tenzij ze weer kostuums in Engeland gaan huren, zoals de vorige keer, toen Jeroen Krabbé de titelrol speelde. Al waren daar ook de nodige shortcuts te zien. Het zal dus weer een verkeerd beeld van een periode in onze geschiedenis geven. Zal iemand daar verder over vallen? Ik vrees van niet. Maar het is wel een vorm van geschiedvervalsing.

Volgende keer vrouwendecolletées en blote schouders…

HtJ

12.7.2014


maandag 30 juni 2014

Van een bijl met een puntje... oftewel geschiedvervalsing onder het oog van twee geroutineerde archeologen.

Herinnert iemand zich nog de BBC series Two men in a trench?  Ze gingen over opgravingen op voormalige Engelse en Schotse slagvelden en werden in 2002 en 2004 uitgezonden. De presentatie was in handen van twee jonge archeologen: de Schot Neil Oliver en de Engelsman Tony Pollard.


Iedereen weet wie Neil Oliver is want hij is niet van het scherm weg te branden. Hij heeft zo’n beetje alle (pre)historische programma’s op de Beeb gepresenteerd en was van het begin ook betrokken bij Coast. Dat gaat over wat er allemaal aan de kust te zien is. Eerst hebben ze de hele Britse eilandengroep gedaan, daarna zijn ze Europa in getrokken en nu loopt en vliegt Neil in Australië, dus hij is nog wel even onder de pannen met een kust van ruim 60.000 km. In die 12 jaar heeft hij een heel eigen stijl van presenteren ontwikkeld: de camera volgt hem een beetje schuin van achter en hij loopt al pratend over zijn schouder kijkend door het beeld. Ik zit nog steeds te wachten tot hij een keer spectaculair valt, maar ik vermoed dat als dat gebeurt ze het er wel uit knippen.

Tony Pollard is sindsdien minder in beeld geweest, maar hij heeft zich gespecialiseerd in slagveld-archeologie en is inmiddels directeur van het Centre for Battlefield Archaeology van de universiteit van Glasgow, waar hij ook is opgeleid en les geeft.

Beide heren zijn weer terug en doen samen een reconstructie van en opgraving naar het slagveld van Bannockburn. Daar, even ten zuiden van Stirling castle, vond in 1314, dus 700 jaar geleden, een slag plaats tussen koning Edward II en zijn leger en de troepen van Robert de Bruce, die zich in 1306 tot koning van de Schotten had laten kronen.  In hun tweede serie hadden ze al eens geprobeerd het slagveld te vinden, maar ze groeven alleen maar een laag steenkool op. Dat was nogal teleurstellend. Deze keer pakten ze het groter aan en begonnen een jaar geleden al met de voorbereidingen. 


Ze hadden nu twee helicopters, digitale reconstructietechnieken en een flinke groep re-enacters tot hun beschikking en schakelden verder de hele bevolking van Stirling en omstreken in om te graven.  Veel spektakel dus. Gisteren was de eerste uitzending en ik heb er met gemengde gevoelens naar zitten kijken. De periode 1250-1350 is zo’n beetje mijn lievelingsperiode in de middeleeuwen en ik heb me er de afgelopen 25 jaar behoorlijk in verdiept. En dan niet alleen in de Nederlandse geschiedenis, maar in die van heel West-Europa, inclusief de UK.  Ik heb zelf levende geschiedenis en re-enactment die in die periode rond 1300 plaatsvond gedaan, in de kleding en wapenrusting gelopen en kan wel zeggen dat ik wat kennis heb opgedaan.

Ik werd nogal geïrriteerd door de gemaakt enthousiaste uitroepen van de beide presentatoren bij zulke zaken als grote slingerblijdes en excercerende schiltrons, maar daar heb ik het verder niet over. Ik zal het hier ook niet hebben over de nogal krakemikkige heraldiek, want dat blijkt voor de meeste re-enacters toch een ver van hun bed probleem. Ik zal het ook niet hebben over de nogal anachronistische mix van uitrustingen en bewapening die zowel Normandische helmen als 16e eeuwse claymores liet zien. Om over de fel-kleurig gestreepte tenten maar te zwijgen. Nee, ik wil een stukje geschiedvervalsing aan de kaak stellen.

Eerst de historische context. Toen de beide legers op 23 juni 1314 tegenover elkaar stonden reed koning Robert op een kittige palfrey,voor de troepen heen en weer  om ze moed in te spreken. Een palfrey was een duur rijpaard, maar geen strijdpaard zoals de beruchte destrier. De koning was dus nog niet geheel klaar voor de strijd. Dat werd opgemerkt door een jonge edelman in het Engelse leger, sir Henry de Bohun. Die velde zijn lans en reed door het niemandsland tussen de legers op de koning af. 



Die zag hem komen, reed hem tegemoet en ontweek behendig, juist doordat een palfrey daar zeer geschikt voor is, de lans en sloeg hem met een bijl de helm in waarbij hij het hoofd van de ridder kliefde. Bohun dood, de Schotten een boost voor hun moreel en de Engelsen een klap in het gezicht.  Tot zover de geschiedenis…

De presentatoren vertelden dit verhaal en lieten ook zien hoe het volgens hen toegegaan was en daar begon ik wantrouwig te worden. Robert de Bruce, oftewel de man die hem speelde, gebruikte namelijk een bijl met aan de achterkant een slanke punt van zo’n 10-15 cm. 



Dat hij hem draaide om die punt voor te krijgen werd tijdens de aanval duidelijk getoond. En met die punt sloeg hij De Bohun in de zichtspleten van zijn pothelm. Tsjakka.  Het slachtoffer viel van zijn paard en zijn pothelm vloog af. Hoe dat kan is mij een raadsel, want die dingen zaten met een riem onder de kin vast. Nou was het me al eerder opgevallen dat die helmen, ook bij andere ridders, gewoon los over de maliecoif werden geschoven en ik dacht nog: ah, re-enacterism. Maar hier zag je dus mooi bloed uit het linkeroog spuiten en stromen, dus spektakelsgewijs was dat mooi meegenomen. Maar hoe zat dat dan met die punt?

Het bleek dat iemand tegen de beide archeologen had gezegd dat je nooit een pothelm, en dan ook nog een hoofd, met een bijl kunt klieven, dus dat er een andere manier geweest moest zijn.  Dit ondanks dat de kronieken uit de tijd zelf, waarvan één van een Engelse deelnemer aan de slag, zeggen dat Bruce de helm en het hoofd van de onfortuinlijke ridder kliefde. Op honderden miniaturen uit die periode is te zien dat niet alleen bijlen maar ook zwaarden helmen konden klieven, laat staan hoofden. 


Ze sloegen ook in mailiën gehulde armen en benen af en recente opgravingen van slagveld begraafplaatsen hebben aangetoond dat dat ook werkelijk gebeurde, zelfs in de tijd van plaatharnas. Die bijlen en zwaarden waren dus behoorlijk scherp en werden met grote kracht gehanteerd.

Neil en Tony zouden het ook nog bewijzen. Charlie Allan, de zwaargebaarde baas van iets dat Clan Ranald heet, een soort re-enactment club die jaarlijks een re-enactment van diezelfde slag bij het monument ervan opvoert, zou laten zien wat het verschil was. Hij kwam met die bijl die koning Robert in de film gebruikte op de proppen en hakte om te beginnen met het bijlblad in op een pothelm die op een paaltje bevestigd was. Onder veel ooh’s en aah’s van de presentatoren was het resultaat een klein gat en een deuk in de bovenrand. Daarrna draaide hij de bijl om en sloeg met de punt eerst op het bovenvlak van dat platte type helm en daarna nog eens vol in de zichtspleet. Daar ging het in beide gevallen met gemak doorheen. Ooh en aah en kijk eens: zo moet het dus gegaan zijn!



Ik dacht in eerste instantie: die bijl ziet er niet erg scherp uit; ga hem eerst eens goed slijpen. Maar in tweede instantie: ik heb nog nooit zo’n type bijl gezien in de periode 1250-1350. Ik vond hem ook wat klein, niet echt een strijdbijl, meer een houthakkersbijl. De bewuste punt, vierkant gesmeed, deed me meer aan een strijdhamer uit de 15e en 16e eeuw denken. Ik kon me ook alleen maar gewone bijltypen uit ca 1300 herinneren. Dat heb ik dus even opgezocht, want ik heb hier genoeg aan wapengeschiedenis in de kast staan en de Mac Bible uit 1250 is in zijn geheel op internet te vinden.  Geen bijl met een punt achterop het blad te vinden. 


Er bestaat een reliëf met rustende strijders van rond 1345 in de kathedraal van Straatsburg waarop je een paar strijdbijlen ziet met achterop de bijl een kort driehoekig puntje, maar dat is het wel.  Hoe komen ze er dan op dat Robert de Bruce zo’n bijl had? Zou dat afgeleid zijn uit dat Victoriaanse portret van de koning waarop het met zo’n type bijl staat afgebeeld?


Maar je ben toch wel behoorlijk onhistorisch bezig, als je dergelijke prenten als uitgangspunt van een interpretatie van een stuk in een kroniek toch duidelijk beschreven actie neemt. Dat lijkt op wishful thinking, ja zelfs manipulatie en dat is in mijn boek geschiedvervalsing. Ik weet dat je kroniekschrijvers ook niet allemaal op hun blauwe ogen hoeft te vertrouwen, maar er is genoeg bewijs dat scherpe slagwapens door ijzer en bot kunnen hakken.  En als je dus wilt weten of dat echt mogelijk is neem je een bijl van de goed grootte en lengte (dergelijke wapens, die vanaf een paard werden toegepast waren ook langer van steel dan gewone bijlen) en je slijpt hem vlijmscherp op een slijpsteen. En dan probeer je hem uit op een pothelm van het goede ijzer en de juiste dikte, met erin een stuk varkensdij, en dan moet je eens kijken of het je lukt om zo’n helm en wat erin zit te splijten. Dat is historisch verantwoorde reconstructie. En dat is wat anders dan met een vervalst type wapen een pet-theory proberen te bewijzen.

Het zal mij benieuwen of de tweede en laatste aflevering volgende week zondag het geheel nog een beetje goed maakt. En of ze inderdaad het slagveld en de daar eventueel nog bewaarde resten zullen vinden. Ik zal echter wel erg kritisch kijken en hopen dat twee wetenschappers die beter zouden moeten weten hun leven zullen beteren.

Henk ’t Jong


30.6.2014

PS. De tweede aflevering gezien. Nou, het resultaat was nogal mager: een koperen kruisje met een restje goud erop dat aan een paardentuig gehangen "zou kunnen hebben". Verder wat potscherven, maar die kunnen overal vandaan gekomen zijn. Het bleek ook dat het slagveld dat ze na veel vijven en zessen uitgezocht hadden bij de mensen van het herdenkingscentrum al lang bekend was. En ze zijn maar niet veel verder gegaan met het reconstrueren van de slag, behalve dat de man van het centrum het nog even vertelde.



Overigens heb ik uit een beetje latere tijd in een Engels manuscript, de Holkham Picture Bible, een bijl met een puntje (maar niet zo'n lang) en een soort warhammer (met wel een lange punt; veel lijkend op de 15e eeuwse strijdhamer) gevonden die wat lijken op de in de docu gebruikte bijl. Er is dus wel een voorbeeld. Maar de vraag is of Bruce er zo één gebruikt heeft of dat hij, zoals in de kronieken staat, gewoon met het blad van een strijdbijl De Bohun de hersens in heeft geslagen...

zaterdag 7 juni 2014

De nieuwe kleren van de koning*



Ik heb niet zoveel met de negentiende eeuw. Ja, gek, zult u zeggen: je bent mediëvist, dus je belangstelling ligt minstens 500 jaar vroeger. Klopt, maar dat is niet de enige reden. Het is meer de mentaliteit, die verdomde romantiek. Ik lees nu Historiezucht van Marita Mathijsen (zwaar overdreven titel, overigens) omdat juist die eeuw zo bepalend is geweest voor ons huidige beeld van de middeleeuwen. En toen ging het dus al mis…  Ik moet er wel bij zeggen dat de ontwikkeling van het huiselijk leven in wat we wel de Biedermeiertijd of de vroeg-Victoriaanse periode noemen  mijn belangstelling wel weer heeft. Net als de burgerlijke architectuur uit die tijd. Maar de zogenaamde ‘hoge’ cultuur; ik voel me daar niet in thuis. En dat is precies waar het in de tentoonstelling Willem II – Kunstkoning bij ons in het Dordrechts Museum om ging.

                Er is een hoop publiciteit tegenaan gegooid en dat heeft geresulteerd in 100.000 bezoekers, meer dan ze ooit voor een tentoonstelling gehad hebben. Daarvoor hebben ze echt alle moderne communicatiemiddelen uit de kast gehaald. En het werkt. Zo goed, dat mijn vrouw en ik dachten: dat moeten we dan toch echt gezien hebben. We hadden goede herinneringen een de portrettententoonstelling van ruim een jaar geleden in hetzelfde museum, dus we dachten dat we de massa’s maar moesten trotseren. In de media waren  namelijk al foto’s opgedoken met lange rijen op het pad naar de ingang en volle zalen. Ik houd daar niet van, dus we dachten we gaan vroeg, op donderdagmorgen. Nou werd dat door allerlei oorzaken wat later dan vroeg, maar de rij was gelukkig niet echt lang en het was wel druk, maar niet overdreven.



                Hoe langer ik daar rond liep, hoe meer ik in mijn afkeer van de eeuw en haar elitecultuur werd bevestigd. Sleutelwoorden waren: prots, overdaad, glad, poen, week, kitsch.  Ik ben tamelijk gecharmeerd van de vroeg negentiende-eeuwse burgerlijke interieurs en de, deels gefantaseerde, stadsgezichten die een zeker nostalgie naar de zeventiende eeuw uitstralen. Maar daar waren er te weinig van. Ik kan ook de portretten van Piene- en Kruseman wel waarderen, maar als je ze van dichtbij ziet lijken ze wel met lakverf geschilderd; wat een gladde glimtoestanden. Perfecte stofuitdrukking, hoor, maar ze, de vrouwen met name, droegen toen veel zijde, taffeta en satijn dus, en dat glanst je overal tegemoet. En dan die dikke, worstvormige armen van die vrouwen… Eigenlijk is het ultieme kitsch. En dat geldt nog meer voor de meubels, sieraden en gebruiksvoorwerpen. Alles is overgedecoreerd met krullen, goud en friemels. Op het enorme hemelbed zaten notabene nog porseleinen  plakkettes met daarop rozenboeketjes geschilderd. Verschrikkelijk. En dat hadden die mensen van de koninklijke famiie dagelijks om zich heen; daar moet je wel gestoord van worden.

                En dan die zalen en paleizen, waarvan diverse prenten en schilderijen in het museum hangen. Ruimtes van vijf tot zeven meter hoog of het niks was, met gordijnen, goud op snee en frutsels.  Alleen op een schilderijtje dat koning Willem van zijn conciërge had gekregen bij diens pensionering bleek dat zijn kantoor beduidend bescheidener was, al moet je je afvragen hoe realistisch dat was. Allemaal imponeergedrag dus, afgekeken van de collega-koningen en vooral schoonvader tsaar, waar dat heel gebruikelijk was. En die hadden het natuurlijk weer van de Lodewijken in Parijs en omgeving.



                Het hele gebeuren draaide dus om de koning als held van Waterloo, als echtgenoot van de tsarendochter Anna Paulowna en als kunstverzamelaar. Deels kwam de inhoud van de tentoonstelling dus uit Rusland, met name de Hermitage in St. Petersburg, waar het nodige van zijn verzameling terecht gekomen was, deels uit andere musea. Maar ook zijn opgezette paard, waarop hij in de slag van Waterloo had gereden, stond er en natuurlijk hingen er de nodige heldhaftige prenten over zijn activiteiten daar. Toen we daar liepen stond net Peter Schoon, de directeur, er een verhaal te houden voor een aan zijn lippen hangend gehoor van collega-grijskoppen. Ik kan dus helemaal niet tegen die kunsthysterische retoriek die dan voor het voetlicht komt, in een sausje van neerbuigende bonhommie dat door de, meestal, dames werd gevreten. En dat gold ook voor de drie andere uitleggers die hun verhaal opvoerden voor weer andere groepen bij weer andere hoogtepunten zoals de Rembrandts of de Rubensen.

                Natuurlijk zaten er mooie stukken tussen. Vroege Italianen, Vlamingen en die tekeningen van Rubens. Allemaal heel knap en hoewel klein, heel fijn. Maar het was niet uniek. Als fervent museumbezoeker, en dat vooral voor de vroege kunst, ben ik wel wat gewend. Maar als je de, vooral, vrouwelijke bewonderaars hoorde, leek het wel wel of hier iets groots was verricht. En dat is niet zo. Er hingen ook veel kunstwerken die ik als kitsch zou karakteriseren of die gewoon slecht geschilderd waren. Het manshoge portret van koning Filips IV van Spanje, bijvoorbeeld, viel me zwaar tegen. De kop ging nog wel, maar de rest was duidelijk door een stel leerlingen in elkaar geflanst. Van die dingen. En dat soort ervaringen had ik regelmatig: is dat nou alles? En niemand die er een kritisch geluid over laat horen. Zelfs geen jongetje dat roept: maar hij heeft niets aan!



                Misschien ben ik gewoon een te kritische en te doorgewinterde museumbezoeker (en moet ik daarom helemaal geen recensies van tentoonstellingen schrijven) die het plezier van de naïeve gemiddelde bezoeker verpest door dit soort gezeur. Maar aan de andere kant zag ik veel goed (en misschien wel hoog) opgeleide ouderen die zich zondermeer in hadden laten pakken door het Dordtse publiciteitsgeweld en de praatjes van de kunsthysterici. Is dat terecht? Ik vind van niet. En als je op internet ook alleen maar juichende verslagen leest en de bezoekcijfers ziet dan denk ik: misschien wil men het wel zo. Veel bling, royalty connecties, banketten voor bezoekers, oranje souvenirs, geöreer over uniciteit en pracht, kronen voor kinderen, noem maar op. Het werkt, de mensen komen er opaf en Peter Schoon lacht de hele weg naar de bank. En bezint zich op de volgende publieksklapper. Maar ik laat me niet inpakken. Keurig verzorgd, daar niet van, maar ik vond het vooral een kitsch tentoonstelling met maar een paar stukken die echt mooi waren.

En het is geen gotische zaal, maar een neo-gotische zaal…



*De titel dank ik aan mijn vrouw, Pauline. Dankje lief…

Henk ’t Jong


7.6.2014

woensdag 28 mei 2014

Wat zijn die Friezen stil…

Ik heb me in mijn leven dikwijls verbaasd over de Friezen. Degenen die ik kende, en dat waren misschien geen doorsnee-mensen, hadden allemaal wat aparts.  Zeker zij die niet (meer) in de provincie Friesland woonden. Ik heb  zelfs één ex-pat gekend die gewone Nederlandse voornamen had en die ze per officieel regeringsbesluit liet veranderen in klassieke Friese, waarbij de tweede nog een patroniem was ook. Veel ervan, die niet in Friesland opgroeiden, leerden toch Fries spreken. En dan die naamborden in twee talen als je in die, mooie, provincie komt. Het kwam bij mij allemaal sterk folkloristisch over.

                In de jaren tachtig heb ik, als heraldicus, nog eens een verhitte discussie gevoerd met Friese collega’s over het fenomeen van de boeren- en burgerkronen die men in de Friese provincie nogal eens toepaste boven een familiewapen. Voor mij gaan kroon en burger/boer niet echt samen, maar de Friezen schermden met hun ‘Vrijheid’, die hen die wel toestond. Ik kwam er al snel achter dat die befaamde Friese Vrijheid, neergelegd in het zogenaamde Karelsprivilege, op een fabel berustte. Ze hadden hem zogenaamd ontvangen van Karel de Grote als dank voor hun hulp tijdens de verovering van Rome in 800. Later, in 1248, was graaf en rooms-koning Willem II zo naïef om de oorkonde waar dat in beschreven stond te bevestigen na Friese hulp bij zijn verovering van Aken. Ook rooms-koning Sigismund in 1417 en rooms-koning Maximiliaan in 1493 hebben het falsum bevestigd, wat alleen maar maakte dat het moeilijker te weerleggen werd (wat is dat toch met die rooms-koningen en de Friezen?).

                Dergelijke op legenden en wishful thinking gebaseerde privileges zijn door de geschiedenis heen al vele keren ontmaskerd en belachelijk gemaakt, toch blijven de direct betrokkenen ze dikwijls geloven. Melis Stoke noemde het Karelsprivilege rond 1300 al een oorkonde die met boter bezegeld was. Zijn heer, Floris V, trok zich van die vrijheid niks aan en onderwierp de Westfriezen waarna hij zich heer van heel Friesland ging noemen. Historici hebben verder al vele keren op de vele historische discrepanties gewezen. En dat is niet alles: dikwijls worden ze ondanks dat steeds maar weer herverteld in min of meer officiële geschiedenissen, zoals die van Friesland.

                Toch werd in 1927 door de Leeuwardenaar Pieter Boeles al gewezen op het feit dat de hedendaagse Friezen, net als de Groningers, Drenthen, Tukkers en Achterhoekers, van Noordduitse en Zuiddeense immigranten afstamden die voor de druk van ruitervolken uit het oosten naar het westen trokken na de val van het Romeinse Rijk. Hele stammen bleven langs de kusten van wat nu Nederland is hangen, anderen staken de Noordzee over en belandden op de Britse eilanden, waar ze bekend werden als Angelsaksen.  Lang geleden viel me in de Angelsaksische (tegenwoordig Oudengelse) woordenboeken en primers al op dat die taal wel erg op het Fries leek. Het zag er ineens uit alsof die Friezen helemaal niet dezelfde waren als de Frisii met wie de Romeinen handel hadden gedreven en die een paar keer tegen hen in opstand waren gekomen. Pieter Boeles werd in zijn provincie echter niet serieus genomen, al kon hij nog zo duidelijk aantonen dat de huidige Friese plaatsnamen pas na circa 450 ontstonden en dat aardewerk en mantelspelden toch wel erg op die uit het Deens-Duitse gebied leken.



Deze stammen en volkjes waren gewend met boten om te gaan en stapten in het gat dat het vertrek van de Romeinen had veroorzaakt en pikten de handel langs de Noordzeekusten weer op. Luit van der Tuuk heeft daar in 2010 een al eerder door mij besproken boek, De eerste Gouden Eeuw, over geschreven. Hij heeft hiervoor in november 2013 de W.A. van Es-prijs voor gekregen. Terecht, vind ik. Het is een ogenopener en nuttig boek over een onbekend stuk Nederlandse geschiedenis. Ik zat daarom ook vol spanning te wachten toen ik hoorde dat hij een boek over de geschiedenis van de Friezen aan het schrijven was. Het kwam eind 2013 uit en ik kocht het in februari van dit jaar. De afgelopen maanden waren nogal druk en ik kwam niet toe aan recenseren, maar nu is het dan zo ver.



Van der Tuuk is net zo te werk gegaan als bij zijn eerdere studies. Bij de Noormannen, de Merovingische en Karolingische koningen en bij de Noordzee handelaars gebruikte hij een mix van wat er uit de diplomatische geschiedenis, de historische geografie, de hagiografie, de archeologie en de diverse volkenkundige beschrijvingen en kronieken bekend is en paste dat in elkaar. Dan krijg je een mooi overzicht van wat toch tot voor kort als de Donkere Middeleeuwen werd gekarakteriseerd. Er blijkt voor de goede onderzoeker en intelligente combinateur een schat aan gegevens te liggen die tot een kloppend geheel samengevoegd kan worden. Tot een goed lopende geschiedenis van de Friezen dus. Zo grijpen steeds meer gebeurtenissen, personen en landschappen in elkaar…

Niet dat nu alle lege plekken ingevuld zijn. Bij lange na niet. Van der Tuuk zegt ook zelf dat het boek “als een geschiedenis van Friesland beschouwd (moet) worden”. Ik vind dat wat bescheiden. Natuurlijk zal er op deelgebieden als de archeologie en de geografie nog het nodige aan gegevens bij komen, maar ik vind dit al een tamelijk compleet ‘verhaal’ (en dan heb ik, zoals u weet, een hekel aan het woord verhaal). Als je alle kennis die we hebben van de Friezen, Oud en Nieuw, en hun vestigingsgebieden  zo voorbeeldig op een rij zet zonder dat je veel herhalingen en overlappingen krijgt, ben je wel een compliment waard. Voor hun contacten met Romeinen, Saksen, Angelen, Franken en Denen tussen 0 en 900 ben je afhankelijk van niet al te veel bronnen en die zijn, in mijn ogen, allemaal gebruikt. De schrijver maakt daar ook een soepel lopende, gedeeltelijk chronologische geschiedschrijving van, die elke leek zou moeten kunnen volgen. Ik hoop ook dat dat gebeurt, want deze boeken zijn prima leesvoer voor onderwijzers en leraren die hun stof ermee kunnen verlevendigen en, belangrijker, historisch verantwoorder kunnen maken.

Probleem is dat als je het boek en de schrijver googlet, dan naast de sites van de boekverkopers maar zeer weinig recensies tegen komt. Het lijkt wel of er gewoon erg weinig belangstelling voor is. Buiten de gewone zure reactie van de lunatic fringe van de Delahaye adepten, zijn er wat korte besprekingen op een enkele boekensite of een forum. Dat is het. En dat vind ik jammer. Elke re-enacter die Nederlandse Vroege Middeleeuwen ‘doet’ moet dit boek lezen, elke geïnteresseerde in die periode van de geschiedenis en, belangrijkst, elke Fries, in situ of in diaspora. Zou het zo stil blijven aan de overkant van het IJsselmeer, en op de fora, vanwege het feit dat in Van der Tuuks boek die hele, vooral uit de 19e eeuw stammende, maar al veel eerder begonnen, mythologisering nu eens goed ontkracht wordt?

Zelf heb ik het idee dat na het verlies van hun ‘vrijheid’ (die in die tijd niet veel meer was dan breed uitgedragen anarchie) rond 1500 er wat is blijven broeien in die streken. Ze werden onderdrukt door het Habsburgse Rijk, kregen een lage, maar wel zelfstandige, rang in de Republiek en ze ondergingen inlijving als departement in het Koninkrijk Holland en als provincie in Nederland. Geen zelfstandig of vrij land meer. Dat moet voor de in de negentiende eeuw opkomende romantiek met zijn nationalistische verhalen en mythes een vruchtbare bodem zijn geweest. Friesland was niet de enige regio waar dergelijke chauvinistische legendevorming opgang deed, maar het was net of hier het onderdrukte vuur extra hoog oplaaide. De Groot-Friese gedachte ontstond, met later alle donkerbruine gevolgen van dien, en Piet Paaltjens verzon ook nog eens het Oera Linda boek met de tot in de prehistorie teruggaande geschiedenis van het Friese volk. De wetenschap verdween volkomen uit beeld, het Fries werd van een regionaal Germaans dialect een aparte taal en het ‘eigene’ van al die stijfkoppige maar sentimentele Friezen werd bij herhaling onderstreept en benadrukt.

Luit van der Tuuk maakt daar korte metten mee. Hij schrijft nuchter: Magna Frisia is een bedenksel, “waar zelfs koning Radbod in zijn hoogtijdagen niet volledig over heeft geheerst”. Er was geen eenheid, etnisch noch politiek. Het enige dat al die ‘Friezen’ verbond was het water voor  transport en handel, de vruchtbare kwelders voor veeteelt en de strand- en oeverwallen voor landbouw. En dan hebben we het over  een gebied dat begon bij het Zwin, uitkomend aan de kust van Zeeuws Vlaanderen tot aan de Weser in Noord Duitsland, en dat soms ver, langs de rivieren, het binnenland in reikte. Degenen die vanaf 1000 langs de Merwede in de latere Grote- en Alblasserwaard het kleiïge veen ontgonnen waren Friezen, onderdanen van de Westfriese graven. Hollanders dus. Ze hadden uitgebreide contacten met Scandinavië en Engeland en zeilden tot in Frankrijk, waarbij ze zowel hun cultuur verbreidden als die van elders met die van henzelf combineerden. Ze spraken ongeveer dezelfde taal als die mensen in Engeland en Normandië, in Denemarken en Noorwegen en zeker dezelfde als in Noord Duitsland.

Het feit dat ze door de Franken, een eveneens Germaans volkenmengsel, werden overheerst vanaf de achtste eeuw, zorgde er alleen maar voor dat hun handel zich uitbreidde en ze rijk werden. Er bleef steeds contact met de verwanten, ook al waren er door conflicten en Noormannen-invallen problemen, zodat handel en economische groei hier bleven voortbestaan tot ver in de middeleeuwen. Contacten in het hele gebied worden verbeeld door de verspreiding van een type fibula, de Domburg fibula, en de machtsstructuur van edelen, vrijen en halfvrijen die in het hele gebied volgens eigen wetten leefden. Daar kon de Frankische overheersing niet veel aan doen. Ze liet het zelfs toe.

Dat de Middel-Friezen in de huidige provincie Friesland zich zo anders bleven voelen is gedeeltelijk terug te voeren op het feit dat ze minder makkelijk te benaderen waren dan de Westfriezen vanwege hun geografische ligging achter bossen, moerassen en wadden. Dat zorgde voor een mentaliteit die geen inmenging van buiten duldde, maar die daardoor een soort maatschappij werd die je als bijzonder vete-gevoelig mag betitelen. Ik heb nog eens een studie gedaan naar een uit de hand gelopen vete in Zuidwest Friesland in de jaren 1480-1490. Ik verbaasde me toen over de in die tijd daar voorkomende bereidwilligheid om collega-Friezen te beroven, hun stinsen af te branden en hun steden te belegeren. En dat niet alleen door de adellijke hovelingen en hun kampvechters, maar ook door dorpelingen en stadsbewoners en zelfs de geestelijkheid. De  beide Tabor kronieken zijn in dat opzicht heel verhelderend.

Aan de andere kant ontzagen ze zich niet om Hollandse, Gelderse en Duitse huurlingen in te huren om hun mede-Friezen in de pan te hakken. Maar als een ander het waagde te proberen hun land te veroveren, trokken ze samen op tegen de vijand. Al was er altijd wel een element van gis politiek denken dat ze dikwijls toch in twee partijen deed verzeilen: zoals bij de Schieringers en Vetkopers. De hoop, bij vooral verarmde adel en steden, om te profiteren van een buitenlands bestuur was er steeds. Maar die was eigenlijk niet veel verschillend van het van partij wisselen in een vete. Om het zacht te zeggen: het was er nogal onoverzichtelijk.



                Zover gaat het boek van Luit van der Tuuk niet. Hij stopt ergens in de tiende eeuw. Hij legt in ongeveer 230 pagina’s open wat de herkomst van de Friezen is, hoe ze leefden in hun uitgebreide gebied en met wie ze daar te maken hadden. Dat doet hij goed, zeer leesbaar, nuchter en duidelijk. Er zijn heldere kaartjes, foto’s van runen, voorwerpen en landschappen en een notenapparaat. Een literatuurlijst en index ontbreken ook niet, maar het was alleen vreemd om in de eerste niet de titel van Lendering en Bosman, De rand van het Rijk (Amsterdam 2010) tegen te komen. Volgens mij staat daarin de laatste versie van de Friese opstand beschreven. Van der Tuuk beschrijft, korter, de gebeurtenissen ook, maar de informatie komt bij hem rechtstreeks  uit Tacitus Annales, via Byvancks Exerpta Romana uit 1931. Alleen over het fort Flevum gebruikt hij Bosmans studie daarover uit 2012. Curieus.

Samenvattend: Fries, lees De Friezen van Van der Tuuk en zie waar je vandaan komt. En dat geldt ook voor Zeeuwen en Hollanders, inclusief Westfriezen.

HtJ 28-05-2014



Luit van der Tuuk, De Friezen. De vroegste geschiedenis van het Nederlandse kustgebied (Utrecht 2013) 288 pagina’s.

vrijdag 23 mei 2014

Crusades nog een keer.

Ik ben een groot liefhebber van BBC 4. Ze hebben veel goede historische en culturele documentaires met zeer capabele presentatoren en interessante inhoud. De huidige serie over de Engelse Georgian period volg ik daarom trouw. Opeens was daar gisteren het eerste deel van een driedelige serie over The Crusades met Dr. Thomas Asbridge als anchor-man. Hij is in 2012 al eens uitgezonden, maar toen heb ik hem gemist. Ik heb zelf tijdens mijn studie ook nog eens onderzoek gedaan naar de bezetting van Palestina door de ‘Franken’ en heb daarom nog steeds een warm plekje voor dat onderwerp.  En daar kon Kingdom of Heaven me niet van afhouden. Ik ben er dus eens voor gaan zitten.

                Asbridge is een nog jonge historicus, die gespecialiseerd in in de kruistochten en daar een aantal boeken en artikelen over heeft geschreven. Hij weet er dus best veel van af. Maar had hij dat echt op zo’n manier moeten overbrengen op het publiek? Hij blikte steeds bloedserieus in de camera en vertelde zijn verhaal volstrekt humorloos en doorspekt met sensationele bijvoeglijke naamwoorden en clichés. Ik moet direct aan Tom Holland denken die net zo’n stijl heeft, maar dan op schrift. Er kwam geen normale zin uit; alles werd aangedikt en dan op zo’n manier dat je de zinnen al op een kilometer afstand aan zag komen:  horribly besieged, terrible damage, wading through blood, starving and dying men, women and children, fearless enemies, brave warriors, afijn; ik zo nog wel even doorgaan.  Het was genant.


                Van tevoren had hij beloofd dat er nieuwe op getuigenissen uit de tijd zelf gebaseerde onthullingen gedaan zouden worden. Viel dat even tegen. Zoveel van die verslagen zijn er niet en ze zijn inmiddels allemaal al tientallen jaren beschikbaar, inclusief die paar brieven van Stephen van Blois waaruit Asbridge graag citeert. De enige onthulling die een beetje verrassend was was die van een alternative lezing over de afloop van het beleg van Antiochië. Natuurlijk weet iedereen dat het wonder van het vinden van de heilige lans na een ‘visioen’ van Peter Bartolomeus wel met een korrel zout moest worden genomen. Dat vonden ze daar zelf in die tijd ook en Peter is er dan ook aan overleden toen hij om zijn onschuld te bewijzen over gloeiende kolen moest lopen. Tjakka!

                Die hele onthulling was trouwens een stukje dat voorgelezen werd uit een boek in een ‘vreemde taal’ waaruit bleek dat er onderhandeld was met Kerbogha, de Turkse belegeraar. Ja, duh… dat is nou niet bepaald wereldschokkend nieuws; dat gebeurde altijd en overal door de hele middeleeuwen heen. Je moest trouwens maar geloven dat het er stond, want er werd verder niet uitgelegd of de nauwelijks Engels sprekende lezer wel betrouwbaar was en wat hij daar deed. En wat voor taal het was…


                Ik ben natuurlijk ingelezen in de materie en waarschijnlijk zullen velen de nodige nieuwe dingen gehoord hebben, maar waar het verschil was tussen de docu van Terry Jones uit 1995 over hetzelfde onderwerp is me onduidelijk. Misschien moeten om bij te blijven zulke series gewoon elke 20 jaar een keer herhaald worden. Nieuwe denkbeelden heb ik echter niet gehoord, maar de kruistochten van Jones waren gewoon veel leuker. En hij had tenminste nog een paar deskundigen om zijn beweringen te steunen en hij ging in volle wapenrusting nog een stukje door de woestijn lopen.  Hier was het Asbridge voor en na. Er mochten alleen een paar mensen opdraven om wat over een boek te zeggen. En die lezer van dat citaat dan.


                Over dat boek… Het was de geschiedenis van het koninkrijk Jerusalem, dus van de kruistochten tot en met zijn tijd, door Willem van Tyrus (ca 1130-ca 1185). Maar dan in een rijk geïllustreerd manuscript uit ca 1300, dus 200 jaar na dato. Ook schreef Willem ca 60 jaar na de gebeurtenissen van de eerste kruistocht en al was hij een kritisch historiograaf, hij moet wel in samenhang met andere tijdgenoten gelezen worden. Dat zal Asbridge zelf best gedaan hebben, maar dat kwam er in de film niet uit. Hier was Willem de bron en het manuscript een ‘fountain’ van emotionele uitspraken en veel illustraties. Die laatste gaven dus niet bepaald een betrouwbaar beeld van de periode. Wat me echter nog het meest stoorde was dat Asbridge deed of hij nog nooit zoiets moois en waardevols gezien had. Elke middeleeuws historicus moet om kunnen gaan met de bronnen uit de periode en dus archief- en bibliotheekonderzoek doen. Daarbij ziet hij tientallen van dergelijke boeken en zeldzame oorkonden en krijgt hij veel van die originele stukken ook in handen. Het gaat niet aan dat een historicus net doet of hij volledig ‘bowled over’ is, zelfs met een snik zin zijn stem, van een boek uit 1300.

                Uit plichtsgevoel zal ik de overige twee delen ook wel gaan bekijken, maar ik weet nu al dat ik me alleen steeds meer zal gaan ergeren. Maar wie weet: misschien zit er nog wel een juweeltje in. Als dat zo is, zal ik hier nog een ps-je aan breien.

                Overigens moet me nog wel van het hart dat ik niet begrijp wat de diepere bedoeling is van het mixen van moderne beelden van mensen op straat, in café’s, in winkels en werkend op het land in zulke documentaires doen. Het lijkt wel of het steeds erger wordt, ook op BBC 4. Het toppunt kwam toen de inname van Jeruzalem beschreven werd en tegelijk beelden van uitgebeende koeienkarkassen en in vlees hakkende slagersmessen werden uitgezonden. Daarbij werd de hongerende bevolking en bezetting van Antiochië begeleid door scenes van gezellig kaart en triktrak spelende Turkse mannen met de glaasjes thee bij dehand. Ik kan dat niet volgen. Hoe denken die regisseurs eigenlijk? Weet iemand dat?

maandag 19 augustus 2013

The Woodville Soap; een recensie.

Het moet er dan toch maar eens van komen. Ik heb me weken zitten verbijten en ergeren en soms hardop schamper zitten lachen. Of zitten roepen: “Dit meen je niet!” of “Dit is te erg!”. Van die dingen… Ik heb het over The White Queen, waarvan gisteren de laatste van 10 afleveringen op BBC 1 te zien was. Zoals te verwachten viel eindigde het op Bosworth Field, met de dood van de Engelse koning Richard III, die overigens een paar maanden geleden onder een parkeerplaats in Leicester vandaan is gehaald om herbegraven te worden. Maar wat een lijdensweg ging daaraan vooraf.


De witte koningin is dus Elisabeth Woodville, die, jong weduwe zijnde, de aandacht trok van de verse koning Edward IV (gespeeld door de zoon van Jeremy Irons; ik kom daarop terug) en die, door het hard te spelen, in plaats van zijn maitresse zijn koningin werd. Nou, en dat had gevolgen, dat begrijp je en zo kon je nog een stuk verder breien aan de Rozenoorlogen, want toen speelde het. Tweede helft 15e eeuw dus. Maar dat zag je er echt niet van af.

Ik weet dat het moeilijk is laat-middeleeuwse locaties te vinden, ook in Engeland, en dat alles nabouwen in de studio nog meer kost dan de 25 miljoen die er nu al aan is uitgegeven. Dus men vertrok naar België, want daar is nog genoeg te vinden. Dacht men. Laat nou het meeste dat daar nog staat vanaf de late 19e eeuw nogal grondig te zijn gerestaureerd, om toeristen te trekken, en dat zie je. Dan krijg je dus een serie films die opgenomen zijn in neo-gotische zalen, kamers en gangen die eruit zien zoals mensen als Viollet-le-Duc en Pierre Cuypers dachten dat de middeleeuwen waren. Plus dat daar allerlei stukken in gezet zijn die helemaal niet middeleeuws zijn, dus dan zie je 16e eeuwse hemelbedden en 17e eeuws meubilair en die vreselijke, verzonnen, staande kandelaartorens met veel te dikke kaarsen erin. En de nodige fakkelhouders… Het was net Hollywood maar dan pijnlijker, want de Amerikanen weten niks van de middeleeuwen, maar de Belgen zouden beter moeten weten.

Dat is ook wat de kostuum designer en de set dresser te verwijten valt. De kleding had aan de 15e eeuw geroken, maar was het allemaal net niet. Verkeerde stoffen (maar er waren ook hele goeie bij), rare inzetten in de kledingstukken, zielige bontrandjes, platte ingenaaide plooien, te veel decolletée, kinderen die constant in hun hemd liepen, de bekende problemen met de hozen die gewoon met een riem opgehouden werden in plaats van met veters aan wambuizen te zijn verbonden. En vooral dat bijna niemand wat op zijn hoofd had, en zeker de vrouwen niet. Alleen een paar figurantes liepen met hovetcleden op. De moeder van de Yorkistische broers, Cecily, spande echter wel letterlijk de kroon met haar super-grote begin 15e eeuwse hoofdtooi die vooral leek op die van de hertogin in Alice in Wonderland. Ik vroeg me nog af of de titel van de serie daar soms van gepikt was.


En dat amateurisme in de aankleding gold nog erger voor de wapenrustingen. Shabby halve harnassen uit allerlei perioden, met steeds alleen links (of rechts) een schouderstuk, en veel maliënkolders en –kappen. Zaken die al een eeuw eerder afgeschaft waren. Ik zag zelfs wat Normandische helmen. En dan zie je zo’n armoedig stelletje militairen ten strijde trekken tussen van re-enacters geleende veel te kleurige tenten en dan kun je alleen maar kreunen. En dat terwijl diverse groepen in de heropvoeringen van veldslagen uit de Rozenoorlogen perfecte  shows met de juiste heraldiek en wapenhandelingen kunnen neerzetten. Maar nee, die waren er niet bij.



Was het verhaal dan tenminste nog wat? Nou, nee. Het geheel was gebaseerd op de vijf boeken van Philippa Gregory die een serie die The Cousins’ War heeft geschreven over deze koninklijke troebelen. Het mens kan niet schrijven: haar verhalen zijn niet meer dan soaps waarin emotie overheerst en  waar het alleen om fysieke aantrekkingskracht gaat. En magie. Want de witte koningin is eigenlijk een heks, net als haar moeder en later haar dochter (die ook nog eens koningin van Engeland zal worden), die via getover en het uitspreken van vloeken de geschiedenis een handje helpt. Alsof die periode van zichzelf al niet genoeg dramatisch in zich had. Het wordt allemaal teruggebracht tot gekonkel in met kaarsen en haardvuren verlichte ruimtes, waarin de vrouwen een in die tijd volkomen onmogelijke rol spelen. Antheun Janse heeft iets dergelijks al eens ontkracht in verband met de legenden die rond Jacoba van Beieren ontstaan waren, een halve eeuw vroeger dan deze gebeurtenissen, maar in Engeland zijn ze blijkbaar nog niet zo ver.


Niet alleen uiterlijk is het nauwelijks de 15e eeuw wat je ziet (mannen met baarden waren er nauwelijks, of ze moesten oud zijn), maar ook de omgangsvormen kloppen van geen meter. Hoge adel die als toffe peren met elkaar rondhangen, of informele maaltijden en buitenspel activiteiten bijwonen. Ze deden het wel, maar dat zag er dan niet uit als buurt barbecue of een pyama-party in een  zomerkamp. Men ging tamelijk formeel met elkaar om. En ging volledig gekleed, zonder blote schouders of boezems en als je je thuis wilde ontspannen ging je niet direct in je hemd lopen.

Het acteren was, op een enkele uitzondering na, dan ook behoorlijk gemakzuchtig en modern, hetgeen door de tekst ook niet bevorderd werd. Ik was gecharmeerd van Warwick (James Frain) en van Richard of Gloucester, mooi broeierig gespeeld door Aneurin Barnard, en Faye Marsay, voordat ze koningin Anne werd. De titelrol was voor Rebecca Ferguson, ondanks haar naam een Zweedse met een Engelse moeder, en hoewel het een mooie, wat koele meid is, vond ik haar niet geweldig. De vele rollen kregen dikwijls niet genoeg tijd om hun karakter uit te werken (Max Irons is ook echt zijn vader niet) en zij die bijna de hele serie in beeld waren, dus al die vrouwen, irriteerden me dikwijls mateloos. Vooral Amanda Hale, die Margaret Beaufort, de moeder van de latere Henry VII, speelde ging me steeds meer tegenstaan. Ik mag haar, als actrice, van huis uit al niet en ze speelde ook nog eens een zoetsappige, vrome hypocriet, wat ook geen leuk uitgangspunt is natuurlijk.

Tegelijk met deze serie, waar ik met steeds meer tegenzin voor ging zitten, liep de HBO Borgia serie.  Max’ vader Jeremy Irons speelt hierin de paus van die naam en hij doet dat, ondanks dat hij helemaal niet op het origineel lijkt, best goed. Er zitten veel bekende acteurs is, onder andere David Oakes, die in de White Queen de broer van koning Edward IV, George, speelt, maar in de Borgia’s veel beter uit de voeten kan als Juan, de getroubleerde zoon van de paus en oudere broer van Cesare en Lucretia.


Maar wat een verschil in uiterlijk van deze productie! Rijk van decor, opulent van kleding (die van rond 1500 in Italië is ook wel erg mooi) en geen kosten of moeiten gespaard met figuranten die ook nog eens bijna allemaal goede kleding aan hebben. En die klopt allemaal (op weer die hozen zonder veters na…). Ook de wapenrustingen en de heraldiek. Dus het kan wel, denk ik steeds als ik die twee met elkaar vergelijk. Begrijp me goed, ook bij de Borgia’s wordt af en toe wel eens wat te modern gedaan en er worden ook wel eens foutjes gemaakt in de aankleding, maar dat zie ik alleen maar. De historische sfeer is goed en dat is niet het geval bij de koningin. Dat is eigenlijk armoe en huurkleding en slechte harnassen en 16e eeuwse hemdkragen die onhandig boven de slecht passende staande kragen van de 15e eeuwse wambuizen uitpiepen. En een dokter die zich met het bekende snavelmasker van de pestmeester vermomt; ook hier dus, dacht ik. Floris van Rozenmond heeft heel wat op zijn geweten[1].





[1] Voor zover ik heb kunnen nagaan is de Nederlandse serie ‘Floris’ uit 1969 de eerste geweest die een 17e eeuwse commedia dell’arte dottore als middeleeuwse pestdokter heeft geïntroduceerd. Sindsdien is hij niet meer uit (internationale) reconstructies van en illustraties en films over het middeleeuwse leven meer weg te branden. 

maandag 6 mei 2013

Sprong in het duister 2


Karel de Grote, de naam is al meerdere keren gevallen, heeft een eigen venster in de nationale canon die vanaf 1 augustus 2009 verplicht deel uitmaakt van het geschiedenis curriculum op onze scholen. Hierin wordt vooral benadrukt dat hij een enorm groot rijk had, waardoor hij constant rond moest reizen om zijn gezicht te laten zien aan zijn onderdanen en zijn zwaard te laten voelen aan hen die hem niet als hun heer wilden beschouwen. En dat 33 jaar lang. In veel lesmethoden die ik heb bestudeerd wordt hij bijna als de grondlegger, de vader, van de Europese Unie gezien. Ik vind dat te veel eer. Bovendien is het hem nooit gelukt de hele boel echt bij elkaar te houden en na zijn dood viel zelfs het deel waar dat wel redelijk ging al snel uit elkaar. Nee, de vader van Europa was hij niet, al was hij wel een onuitputtelijke bron van verhalen. Wie kent niet het duistere verhaal over Karel en de Elegast of het dramatische De vier Heemskinderen. Iedereen met een beetje voortgezet onderwijs heeft daar wel kennis meegemaakt. Toch? Of niet? Ik vrees eigenlijk dat dit onderdeel meer afhankelijk is van wat de individuele leraar ermee doet, want in de lesmethoden wordt er maar met mondjesmaat aan gerefereerd.

Dat moet Agave Kruijssen een doorn in het oog geweest zijn. Kruijssen is al jaren bezig die verhalen, en niet alleen die over Karel de Grote, voor een jong publiek opnieuw te vertellen. Dat doet ze namelijk ook met koning Arthur, met bestaand hebbende middeleeuwse en latere Nederlandse vorsten en met alom bekende (?) sagen en legenden. Ik heb geen van die boeken gelezen, maar omdat ons dagblad het verschijnen van haar laatste roman berichtte, en omdat het onderwerp precies in mijn leesplan viel, heb ik het aangeschaft. Het is De keerzijde van de keizer (Tielt 2012). Het zou een verhaal zijn over een bastaard van de keizer die diens opvolger, Lodewijk de Vrome, moet gaan vermoorden. Bas Maliepaard, in zijn korte recensie in Trouw, vond het een boek dat “staat als een huis”. Hij had echter wel wat kritiek en die deel ik. En ik heb nog meer…

Je zou verwachten dat dit een spannende, thriller-achtig jongensboek is, gezien het hierboven gegeven plot. Niets is minder waar. Het is een uitermate saai boek. Tenminste: voor mij als volwassene. En ik denk eigenlijk ook voor jongens. Misschien dat meisjes van tegenwoordig het wat kunnen waarderen, maar die verdenk ik er ook van dat ze liever over een wat pittiger hoofdpersoon lezen. Tjerk, die eigenlijk Theoderic heet, is dus een natuurlijke zoon van keizer Karel bij één van zijn vele bijvrouwen. Zijn moeder, Ethelinde, is vlak na de dood van de keizer met Tjerk gevlucht naar Friesland. Waarom kom je pas aan het eind van het boek te weten, dus dat vertel ik maar niet. Maar intussen wordt die jongen – zonder die reden te weten -  op pad gestuurd om de huidige keizer te vermoorden. Een zo uitgesproken antiheld als deze is in de jeugdliteratuur niet makkelijk te vinden. Hij vraagt niet waarom, dat komt hij al verhalen luisterend, dus pas aan het eind te weten. Hij doet verder niet veel meer dan van de ene verhalenverteller naar de andere te reizen  en dan een stel vertellingen, al of niet aangedikt, aanhoren. Hij moet die van de biograaf Einhard verzamelen voor een in opdracht van de koning te maken biografie van keizer Karel. En dan komen die bekende verhalen dus allemaal langs. Ze zijn wel zo vormgegeven dat ze op een min of meer logische manier bij elkaar aansluiten en onder de vertellers zitten een paar verrassende personen. Kruijssen schrijfstijl is soepel en die figuren krijgen een tamelijk overtuigende menselijkheid mee. Of die altijd zo historisch verantwoord is betwijfel ik, temeer omdat het taalgebruik nogal erg modern is. Misschien om jongelui niet af te stoten, maar het komt een beetje gedwongen over als de hoge edelvrouwe Bertrada roept: “Doe me een lol en ga Ada even zoeken”. En dat is maar één voorbeeldje. Ook voel ik me niet helemaal lekker in de historische omgevingen. Aan de ene kant zijn ze erg schetsmatig, anderzijds komt er wel eens een anachronisme voorbij. Maar daar hebben meer schrijvers van historische romans last van.

De held is dus nauwelijks een held te noemen. Hij is in het grootste deel van het verhaal een nog geen twaalfjarig jongetje dat goed latijn kan schrijven en dat nogal bangelijk en aarzelend aangelegd is. En dat niet gewend is paard te rijden dus op de blaren moet zitten. In de loop van het boek kom je trouwens pas achter die niet bepaald heldhaftige eigenschappen. Als je omslag bekijkt krijg je namelijk een heel andere indruk van wat je te wachten staat. Daarop kijkt een minstens 25-jarige slecht geschoren en donker gekrulde jongeman je broeierig aan, die een dubieuze replica van een ceremonieel zwaard vasthoudt. Het is in ieder geval geen Karolingisch zwaard. Bovendien heeft Tjerk het hele boek geen zwaard aangeraakt. Het zoveelste voorbeeld dus uit de verzameling van omslagen van historische romans van een vlag die de lading niet dekt. Te meer daar op de achterkant van het boek wel wordt gesuggereerd dat hij een zwaard op de keel van de keizer moet zetten.

Het is natuurlijk best interessant om al die bloederige oorlogen, schone vrouwen en krijgshaftige vechtjassen een beetje in context geplaatst te zien en in een logische volgorde te horen wat er tijdens Karel de Grotes leven allemaal gebeurde. De bekende sagen en legenden  worden er handig in verweven, maar het  wordt maar niet spannend of interessant. Tenminste; niet voor mij. Kruijssen laat ergens aan het eind Tjerk zeggen: “De geschiedenis is een soort marktkraam. Je pikt eruit wat je van pas komt. En als je niets van je gading kunt vinden, verzin je het gewoon”. Een moment van inzicht voor een chronikeur die propaganda moet schrijven. Ik vind echter ook dat de schrijfster daar schuldig aan is; ze heeft die verhalen bij elkaar gezocht en er een verzonnen raamwerk omheen verzonnen met werkelijk bestaand hebbende personen. Wat ze echter verzuimd heeft is er een spannende roman van te maken en dat vind ik eigenlijk zwak. Daar helpt geen spannende cover aan.

Agave Kruijssen, De keerzijde van de keizer (Tielt 2012), 400 p.