maandag 6 mei 2013

Sprong in het duister 2


Karel de Grote, de naam is al meerdere keren gevallen, heeft een eigen venster in de nationale canon die vanaf 1 augustus 2009 verplicht deel uitmaakt van het geschiedenis curriculum op onze scholen. Hierin wordt vooral benadrukt dat hij een enorm groot rijk had, waardoor hij constant rond moest reizen om zijn gezicht te laten zien aan zijn onderdanen en zijn zwaard te laten voelen aan hen die hem niet als hun heer wilden beschouwen. En dat 33 jaar lang. In veel lesmethoden die ik heb bestudeerd wordt hij bijna als de grondlegger, de vader, van de Europese Unie gezien. Ik vind dat te veel eer. Bovendien is het hem nooit gelukt de hele boel echt bij elkaar te houden en na zijn dood viel zelfs het deel waar dat wel redelijk ging al snel uit elkaar. Nee, de vader van Europa was hij niet, al was hij wel een onuitputtelijke bron van verhalen. Wie kent niet het duistere verhaal over Karel en de Elegast of het dramatische De vier Heemskinderen. Iedereen met een beetje voortgezet onderwijs heeft daar wel kennis meegemaakt. Toch? Of niet? Ik vrees eigenlijk dat dit onderdeel meer afhankelijk is van wat de individuele leraar ermee doet, want in de lesmethoden wordt er maar met mondjesmaat aan gerefereerd.

Dat moet Agave Kruijssen een doorn in het oog geweest zijn. Kruijssen is al jaren bezig die verhalen, en niet alleen die over Karel de Grote, voor een jong publiek opnieuw te vertellen. Dat doet ze namelijk ook met koning Arthur, met bestaand hebbende middeleeuwse en latere Nederlandse vorsten en met alom bekende (?) sagen en legenden. Ik heb geen van die boeken gelezen, maar omdat ons dagblad het verschijnen van haar laatste roman berichtte, en omdat het onderwerp precies in mijn leesplan viel, heb ik het aangeschaft. Het is De keerzijde van de keizer (Tielt 2012). Het zou een verhaal zijn over een bastaard van de keizer die diens opvolger, Lodewijk de Vrome, moet gaan vermoorden. Bas Maliepaard, in zijn korte recensie in Trouw, vond het een boek dat “staat als een huis”. Hij had echter wel wat kritiek en die deel ik. En ik heb nog meer…

Je zou verwachten dat dit een spannende, thriller-achtig jongensboek is, gezien het hierboven gegeven plot. Niets is minder waar. Het is een uitermate saai boek. Tenminste: voor mij als volwassene. En ik denk eigenlijk ook voor jongens. Misschien dat meisjes van tegenwoordig het wat kunnen waarderen, maar die verdenk ik er ook van dat ze liever over een wat pittiger hoofdpersoon lezen. Tjerk, die eigenlijk Theoderic heet, is dus een natuurlijke zoon van keizer Karel bij één van zijn vele bijvrouwen. Zijn moeder, Ethelinde, is vlak na de dood van de keizer met Tjerk gevlucht naar Friesland. Waarom kom je pas aan het eind van het boek te weten, dus dat vertel ik maar niet. Maar intussen wordt die jongen – zonder die reden te weten -  op pad gestuurd om de huidige keizer te vermoorden. Een zo uitgesproken antiheld als deze is in de jeugdliteratuur niet makkelijk te vinden. Hij vraagt niet waarom, dat komt hij al verhalen luisterend, dus pas aan het eind te weten. Hij doet verder niet veel meer dan van de ene verhalenverteller naar de andere te reizen  en dan een stel vertellingen, al of niet aangedikt, aanhoren. Hij moet die van de biograaf Einhard verzamelen voor een in opdracht van de koning te maken biografie van keizer Karel. En dan komen die bekende verhalen dus allemaal langs. Ze zijn wel zo vormgegeven dat ze op een min of meer logische manier bij elkaar aansluiten en onder de vertellers zitten een paar verrassende personen. Kruijssen schrijfstijl is soepel en die figuren krijgen een tamelijk overtuigende menselijkheid mee. Of die altijd zo historisch verantwoord is betwijfel ik, temeer omdat het taalgebruik nogal erg modern is. Misschien om jongelui niet af te stoten, maar het komt een beetje gedwongen over als de hoge edelvrouwe Bertrada roept: “Doe me een lol en ga Ada even zoeken”. En dat is maar één voorbeeldje. Ook voel ik me niet helemaal lekker in de historische omgevingen. Aan de ene kant zijn ze erg schetsmatig, anderzijds komt er wel eens een anachronisme voorbij. Maar daar hebben meer schrijvers van historische romans last van.

De held is dus nauwelijks een held te noemen. Hij is in het grootste deel van het verhaal een nog geen twaalfjarig jongetje dat goed latijn kan schrijven en dat nogal bangelijk en aarzelend aangelegd is. En dat niet gewend is paard te rijden dus op de blaren moet zitten. In de loop van het boek kom je trouwens pas achter die niet bepaald heldhaftige eigenschappen. Als je omslag bekijkt krijg je namelijk een heel andere indruk van wat je te wachten staat. Daarop kijkt een minstens 25-jarige slecht geschoren en donker gekrulde jongeman je broeierig aan, die een dubieuze replica van een ceremonieel zwaard vasthoudt. Het is in ieder geval geen Karolingisch zwaard. Bovendien heeft Tjerk het hele boek geen zwaard aangeraakt. Het zoveelste voorbeeld dus uit de verzameling van omslagen van historische romans van een vlag die de lading niet dekt. Te meer daar op de achterkant van het boek wel wordt gesuggereerd dat hij een zwaard op de keel van de keizer moet zetten.

Het is natuurlijk best interessant om al die bloederige oorlogen, schone vrouwen en krijgshaftige vechtjassen een beetje in context geplaatst te zien en in een logische volgorde te horen wat er tijdens Karel de Grotes leven allemaal gebeurde. De bekende sagen en legenden  worden er handig in verweven, maar het  wordt maar niet spannend of interessant. Tenminste; niet voor mij. Kruijssen laat ergens aan het eind Tjerk zeggen: “De geschiedenis is een soort marktkraam. Je pikt eruit wat je van pas komt. En als je niets van je gading kunt vinden, verzin je het gewoon”. Een moment van inzicht voor een chronikeur die propaganda moet schrijven. Ik vind echter ook dat de schrijfster daar schuldig aan is; ze heeft die verhalen bij elkaar gezocht en er een verzonnen raamwerk omheen verzonnen met werkelijk bestaand hebbende personen. Wat ze echter verzuimd heeft is er een spannende roman van te maken en dat vind ik eigenlijk zwak. Daar helpt geen spannende cover aan.

Agave Kruijssen, De keerzijde van de keizer (Tielt 2012), 400 p.

Sprong in het duister 1


Om allerlei redenen wilde ik me begin 2012 eens grondig gaan verdiepen in de vroege middeleeuwen, in de populaire media meestal de duistere of donkere middeleeuwen genoemd. Het is nooit mijn favoriete periode geweest, maar tijdens mijn onderzoek naar de Nederlandse middeleeuwen in de hier in gebruik zijnde lesmethoden werd ik er in het deel De tijd van monniken en ridders indringend mee geconfronteerd. Volgens de geschiedenislessen was dit de tijd van de verspreiding van het christendom, van domeinen, leenstelsel en vazallen, van Karel de Grote en natuurlijk de ‘vikingen’. Ik had inmiddels wel de boeken van Luit van der Tuuk over de  Nordmanni en de Frankische vorsten gelezen en was daar heel andere zaken in tegengekomen dan ik de lesboekjes las. Ook was het me niet helemaal duidelijk waarom er zoveel over de islam in de methoden stond. Ja, als je internationale middeleeuwse geschiedenis doet kun je voor een onderwerp als de kruistochten niet om de bestudering van de leer van Mohammed heen, maar als het om vaderlandse geschiedenis gaat… Ik had soms sterk de indruk dat hier politiek correct gehandeld werd vanwege het niet onaanzienlijk aantal allochtonen met islamitische achtergrond in de klassen. Het leek me een tegemoetkoming aan het gebrek aan empathie dat deze leerlingen waarschijnlijk met onze geschiedenis hebben, maar wel een erg erbij gesleepte.

Mijn door de loop van 2012 beoefende inhaalslag bevestigde me het uiterst geringe belang of de geheel afwezige invloed van de vroege islam op de Nederlandse historie van voor het jaar 1000. De ook in ons land opererende Karel Martel versloeg weliswaar de Saraceense invallers in 732 ergens tussen Tours en Poitiers, maar dat is toch zo’n 400 km onder Parijs. De olifant die de Abbasidische kalief in 802 aan Karel de Grote stuurde is waarschijnlijk nooit dichterbij ons huidige land gekomen dan Aken, hoewel er in de Annales Regni Francorum staat dat hij in Augsburg was gestald. Dit geschenk wordt in de lesmethoden echter als bewijs voor de goede verstandhouding tussen Karel en de kalief in Bagdad. In de Abbasidische annalen komt dit geschenk helemaal niet voor, hetgeen tot de conclusie mag leiden dat de betrekkingen tussen dat enorme rijk en het Frankische gebied daar niet erg belangrijk werden gevonden. Het beest overleed al in 810 aan longontsteking, na meegedaan te hebben aan een expeditie naar Denemarken. De ‘vikingen’ hebben via Rusland het oosten bereikt en omgekeerd hebben Arabieren bij hen verkeerd, maar ze zijn, volgens de literatuur, nooit in hun kielzog in onze lage landen geweest. Natuurlijk hebben uit ons gebied lieden voor het eind van het eerste millennium het Heilige Land bezocht en zijn die islamieten tegengekomen. Of ze in hun gevolg bij terugkeer oosterlingen meebrachten is ook onbekend. De enige echte connectie is die van de Arabische muntjes die soms in zilverschatten gevonden worden. Maar daar, behalve over de ons wel aangaande bemoeienis van Karel de Grote met onze streken, gaat vroeg-middeleeuwse geschiedenis op school helemaal niet over.

Wel over kerstening dus, en de domeinen met hun drieslagstelsel en horigen, de leenpiramide (die eigenlijk pas bij het volgende tijdperk hoort) en de invallen van de ‘vikingen’. Ik heb al eerder aangegeven dat deze feiten elk een geschiedenis hebben, die al in de Romeinse tijd begint en soms nog veel langer speelt. Maar voor dergelijke nuanceringen is in het onderwijs geen plaats, voorzover dat ooit het geval is geweest. Zo verbaasde ik me erover dat de indeling in gouwen (pagi), die al onder de Romeinen bestond, nooit ter sprake komt. Of dat de onvrijheid van boeren die in Laat-Romeinse dagen in hun door invallen geteisterde grensstreken ontstond en die gedeeltelijk ook met het op slavernij gebaseerde maatschappelijke systeem van de Romeinen te maken had niet behandeld wordt. Of de zogenaamde Noordzeecultuur die nergens wordt genoemd, maar die er wel verantwoordelijk voor was dat er een uitgebreid handelsnetwerk bestond dat al in de Romeinse tijd actief was, maar in de tijd erna al tot grote bloei kwam. Voor de Noren en Denen ertoe overgingen om kerken, kloosters en de nieuwe handelsemporia te plunderen dreven ze al eeuwen handel met elkaar en de volken langs de Schotse, Engelse, Franse en Friese + Duitse kusten. Men sprak ongeveer dezelfde taal, verstond elkaar in ieder geval, voer in dezelfde typen schepen en iedereen had wel wat te bieden wat de ander wilde hebben. Er circuleerde al die eeuwen, met wat onderbrekingen, over heel het gebied zilver- en goudgeld en ruilhandel was normaal. Het waren ook geen van allen lieverdjes en als ze de kans kregen namen ze, in plaats van dat ze kochten of ruilden. Dat is ook allemaal te lezen in het nieuwste boek van Luit van der Tuuk, De eerste gouden eeuw (Utrecht 2011). 

Ik heb dat onderwerp, fragmentarisch, tijdens mijn lange zoektocht naar de middeleeuwen al diverse malen in soms behoorlijk verouderde buitenlandse boeken en artikelen langs zien komen, maar heb het zelden in Nederlandse literatuur gevonden. In het kort staat er wat over in Blockmans en Hoppenbrouwers Eeuwen des onderscheids (Amsterdam 2002, pp 116-117). Ook is er wat over te vinden in De Nijs en Beukers, Geschiedenis van Holland I (Hilversum 2002, p. 48). Zelfs in de recente ‘canon van ons middeleeuwse verleden’ Nederland in de middeleeuwen van Jan Kuipers, en anderen, uit 2011 wordt op p. 18 even gesproken over de Noordzeecultuur, maar die blijft toch te veel hangen op de handel die de Friezen dreven. Op het boek van Evert Kramer en Peter Pentz, Koningen van de Noordzee 250-850 uit 2003 na, dat vooral archeologisch is geörienteerd, is Van der Tuuks boek het eerste werk dat uitgebreid de historische, economische, maatschappelijke en culturele geschiedenis van de Noordzee-handel beschrijft. En het is ook nog heel leesbaar voor de leek. Ik vond het een mooi voorbeeld van een afwisselend, helder en goed geïllustreerd (helaas op een klein kleurenkatern na geheel in zwart-wit) boek over een onbekend, misschien wel duister stuk vaderlandse, maar toch internationale geschiedenis.

Luit van der Tuuk, De eerste gouden eeuw. Handel en scheepvaart in de vroege middeleeuwen (Utrecht 2011), 272 p.

Nieuw leven...

Het is lente en ik ga over een maand met pensioen. Ja... doei! Ik blijf gewoon werken hoor. tScapreel gaat op de oude voet door en De Raaf, heraldisch atelier, ook. De Raaf gaat zelfs onder tScapreel draaien. Ik blijf dus adviseren voor geschiedenis van het jaar 1 tot 1800. Alleen doen we geen bemiddeling voor optredens meer; dat aspect is overgenomen door Marieke Soetebier. En ik blijf goedkoop digitaal wapens tekenen. En vanaf 1 juni ga ik ze ook als zelfstandige ontwerpen. Ik stop namelijk bij het Centraal Bureau voor Genealogie, want dat is een gewone baan en daar moet je dus op je 65e uit. Niet getreurd, want ik blijf op free lance basis voor het CBG en het Wapenregister daar werken. Daarom kan ik nu ook thuis familiewapens ontwerpen; iets dat ik eerst in Den Haag deed.

En ik blijf ook doorgaan met Tiecelins Gekras. Het heeft hier even stil gelegen, omdat er veel aan de hand was. Nieuw leven bij onze jongste zoon Lau en zijn Masha: onze Mel. Verhuizingen van zowel hen als van onze oudste zoon Jasper en zijn Geertje, met onze kleinzoon Wouter. Afmaken van diverse langlopende opdrachten en een aarzelend begin van weer een nieuwe grote hier in Dordrecht. Plus dat ik aan het denken ben over nieuwe websites voor zowel tScapreel als De Raaf en me daarom Dreamweaver CS6 aan het eigen maken ben.

Intussen gaat het lezen over mijn vak, middeleeuwse geschiedenis, ook gewoon door. Ik heb me het afgelopen jaar vooral verdiept in de vroege middeleeuwen. Daarom heb ik drie van die boeken uitgekozen om er een recensie over te schrijven. De eerste twee volgen na dit inleidinkje. De derde wordt nu geschreven en zal binnen een week hier verschijnen.

Inmiddels is het boek Staging the court of Burgundy verschenen waar een artikel van mij in staat. Het is de bewerking van een lezing die ik op een congres in Brugge heb gehouden in 2009. Het werd toen als provocerend ervaren en zo staat het ook in het voorwoord, maar ik kreeg er veel bijval voor, o.a. van bekende professoren kunsthistorie. Benieuwd of er nog eens ergens een recensie over zal verschijnen. Iedereen kan het ook hier nalezen. Het heet The Room of the Scribe.Reality in disguise instead of disguised symbolism en gaat over middeleeuwse interieurs en of die vol met symboliek zitten of dat de schilder gewoon weergaf wat hij er zag en wat hij kende.

Veel leesplezier daar en hier, over een poosje...

zaterdag 12 januari 2013

Middeleeuwse canon van Nederland: een klein stapje los van de traditie


Dit is een recensie van wat korter geleden als die van het boek van Peter Raedts, maar niet minder interessant. Ook deze kwam dus van de Scapreel website.

De langverwachte canon over Nederland in de middeleeuwen is uit. Hij is bij uitgeverij Walburg Pers verschenen in een serie van diverse andere historische canons die daar zijn geproduceerd. Zoals te verwachten is het boek opgedeeld in 50 ‘vensters’ en die zijn rijk geillustreerd: wel 293 plaatjes en platen op 192 pagina’s. Elk venster bestaat uit drie of vier pagina’s, waarvan de illustraties ongeveer de helft innemen. Ook zijn er kaartjes in opgenomen en af en toe kadertekstjes. Ik moet zeggen: het boek ziet er fris en kleurig uit en het is vakkundig vormgegeven.

Het probleem met een canon van 50 vensters over 1000 jaar geschiedenis is dat het noodzakelijkerwijs een verzameling weetjes en feiten is. Je kunt er natuurlijk nooit erg de diepte mee ingaan en verbanden ertussen zijn niet makkelijk te leggen. Traditioneel worden die feiten doorspekt met verhalen die meestal van fabuleuze herkomst zijn. Dit boek staat er ook vol mee. Verhalen helpen om de geschiedenisles levendiger te maken, maar omdat ze allemaal zo legendarisch zijn, wordt het begrip voor het verleden er niet helderder door. Het gevaar bestaat zelfs dat met name de middeleeuwen tot een soort sprookjesland worden gemaakt. Kuipers en zijn mede-auteurs hebben uiteraard geprobeerd nuchtere geschiedenis te schrijven. Ze vermijden ook niet het vermelden van controverses en stippen nieuwe denkbeelden over oude problemen aan. Het met gulle hand toevoegen van fabels en mythes, doet dat uitgangspunt echter een beetje teniet. Het maakt het hele verhaal daarom wat onevenwichtig.

Voor een historicus, en zeker een mediëvist, bevat het boek ook weinig verrassingen. Er zijn maar een paar echt nieuwe vensters. Het eerste gaat bijvoorbeeld helemaal over de Romeinen en hun Germaanse bondgenoten. Het tweede vermeldt de nogal heftige, maar al lang bij kenners bekende, mededeling dat de Friezen eigenlijk Saksen, Angelen en Juten zijn. Vorig jaar kon men dat al lezen in Lenderings en Bosmans, De rand van het rijk (2010), welk boek overigens niet wordt genoemd als bron. Ik heb trouwens de indruk dat dit nieuws nog steeds niet in Friesland is doorgedrongen, hoewel het al zo’n vijftig jaar bekend is. Na deze eerste klappen komen de traditionele, ook in de tien tijdvakken van De Rooij voorkomende, onderwerpen aan de orde. Men gaat in een rotvaart door 1000 jaar geschiedenis, zoals elk geschiedenisboek uit het verleden de middeleeuwen behandelde. Niets nieuws onder de zon dus. Wel leuk is de aandacht voor de ketter Tanchelm en de Kleine IJstijd en, omdat Vlaanderen ook wordt meegenomen (wat ik zeer terecht vind), komen ook de Guldensporenslag plus zijn gevolgen voor Holland en Zeeland en de carrière van de Arteveldes langs. Er is dus wat vernieuwing, maar nog niet veel.

De indeling is thematisch: politiek en vorsten worden afgewisseld met kerkelijke geschiedenis en economie. Telkens zitten hier ook vensters met culturele onderwerpen tussen zoals die over de liedjes schrijvende hertog Jan (die van de pils) en een hoofdstuk over volkscultuur. Persoonlijk ben ik blij dat er ook wat aandacht aan klimaat, waterstaat en ontginnings- en nederzettingsgeschiedenis wordt besteed. Dat kan in zo’n kader natuurlijk nooit uitputtend, maar het staat er in ieder geval in.

De schrijver, Jan Kuipers, heeft een soepele stijl en weet diverse soms ingewikkelde problemen meestal in eenvoudige taal te gieten. Uit betrouwbare bron weet ik dat dit boek voor leken is bedoeld, dus dat moest ook wel. Toch zet ik dan soms nog wel wat vraagtekens bij bepaalde zaken, die ik nou niet zo eenvoudig verwoord vindt of waar je toch wat uitleg bij nodig hebt. Zo wordt het begrip ‘ministeriaal’ nauwelijks uitgelegd, moet je als leek toch even opzoeken wat roosvensters, steunberen en luchtbogen zijn of wat een haam is. Het is bijvoorbeeld ook handig om een plaatje ervan te hebben als je leest dat de symbolen van de Bourgondiërs een vuurslag en een naar hen genoemd kruis waren. Dat Kuipers, als Zeeuw en medeschrijver van de Zeeuwse canon, af en toe wat extra aandacht aan zijn provincie besteedt kan ik billijken. Zijn eigen medeschrijvers, Goffe Jensma en Oebele de Vries, zijn aangetrokken om enkele typisch Friese onderwerpen in te vullen die Kuipers niet zo in zijn bagage had. Er is verder telkens aan het eind van zo’n venster gezorgd voor een kort literatuurlijstje. Curieus vind ik wel dat daarin soms naar de andere canon-boeken van de Walburg Pers wordt verwezen. Mag dat wel? Of is dat gewoon zakelijk denken? Een stilistisch minpuntje vind ik dat Kuipers af en toe de neiging heeft om wat kleurrijke bijvoeglijke naamwoorden te gebruiken, die me steeds een beetje deden opschrikken: spijkerharde opportunist (45), mystieke schemer (124), droomachtige spiralen (125, of is dit een hertaling van ‘dreaming spires’ oftewel de torens van de colleges in Oxford?) en monumentale bisschop (163, over David van Bourgondië). Het is een beetje of je een populaire schoolmeester hoort. Maar misschien is hij dat ook wel…

Ik ontkom er niet aan deze canon te vergelijken met de beide door Ben Speet geschreven delen 3 en 4 in de serie de Kleine geschiedenis van Nederland. De boeken bevatten iets minder illustraties op ongeveer anderhalf keer het aantal, iets kleinere, pagina’s. De middeleeuwen worden, zoals te verwachten is van een canon, in het werk van Kuipers cs dus beduidend korter beschreven. Toch komt de stof behoorlijk overeen, al had Speet meer ruimte om de thema’s uit te werken. Zo besteedde hij de nodige aandacht aan het rechtswezen in de vroege middeleeuwen, ging hij wat dieper in op wat Karel de Grote allemaal deed en had hij wat meer ruimte voor andere dan alleen Willibrord als missionarissen en voor de noormannen. Speet had ook meer verhalen over de Hollandse graven, handel, kerk en de hogere cultuur. Hij was echter beduidend Hollandocentrischer dan het nieuwe boek: Brabant, Gelre en het Sticht kwamen er nauwelijks in voor en het Friesland, Groningen, Drenthe en het Oversticht van na 1000 al helemaal niet. Vlaanderen bleef trouwens bij Speet helemaal buiten beeld. Bij Kuipers krijgen die provincies wel de nodige aandacht, ook geholpen door de Friese mede-auteurs natuurlijk. Zo hoort het ook. Het is ook eerlijker ten opzichte van al die lezers buiten de Randstad. Holland, als rijkste en daardoor ook belangrijkste gewest van de noordelijke Nederland, is echter ook hier het meest genoemde land, op de voet gevolgd door Vlaanderen, met Brabant , Zeeland, het Sticht en Friesland als derde tot en met zesde.

Toch zijn er een paar curieuze leemtes te vinden in de nieuwe canon. Zo blijven de praktijken van het leenstelsel nogal onderbelicht. Is dat vanwege de nieuwe inzichten over feodaliteit sinds Fiefs and vassals (1994) door Reynolds? Terecht is, vind ik, de geschiedenis van de islam afwezig, behalve als het even over de kruistochten gaat. Hierin wijkt dit boek af van alle methoden en van Speet, waarin bij de tijd van monniken en ridders deze godsdienst en zijn gevolgen toch uitgebreid behandeld worden. Ik heb dat al eerder politiek correct genoemd, al hoort het in internationaal verband er natuurlijk wel bij in het voortgezet onderwijs. Ook mis ik in de nieuwe canon de redenen en gevolgen van de Investituurstrijd, de kritiek op de kerk in de late middeleeuwen (die alleen bij de Moderne Devotie even langs komt) en de weerslag in het culturele leven daarvan in de steden. Wel wordt een venster besteed aan volkscultuur, maar ik keek er wel een beetje van op toen ik las dat daar ook de heksenvervolgingen bij hoorden. Die horen mijns inziens toch meer bij de kerk thuis.

En dan de illustraties… Ik heb elders al geschreven dat ik die in de methodes en andere geschiedenisboeken nogal voorspelbaar vind. Je ziet ook steeds dezelfde. Met name de schoolplaten van Isings zijn zeer populair en hier vind je dan ook bijna alle middeleeuwse die hij heeft gemaakt (7) weer terug. Maar ook oudere, veel dubieuzere historieprenten komen in het boek voor. De schrijver probeerde dat in zijn inleiding ook te verantwoorden, maar ik heb daar problemen mee. Juist die prenten geven geen goed beeld van de tijd. Ze zijn zo goed als allemaal achterhaald en dan behoren die van Isings nog tot de besten. Je krijgt er dus geen goed beeld over de middeleeuwen van. Dat vind ik jammer want er zijn genoeg goede platen uit middeleeuwse bronnen te vinden. Het ziet er naar uit de de beeldredactie zich er niet al te veel moeite voor heeft getroost. Alleen vijftiende-eeuwse miniaturen en schilderijen (die overigens dikwijls oudere gebeurtenissen portretteren) zijn ruim vertegenwoordigd: 101 stuks. Uit de veertiende eeuw komen er 19, waarvan een groot deel uit het Manesse handschrift van ca 1305-1322 afkomstig is, uit de dertiende en twaalfde eeuw elk één, uit de elfde niks en dan een achttal uit de achtste tot en met de tiende eeuw. Uit de vijfde tot en met de zevende eeuw is er ook niks. Ik vind dat mager. Natuurlijk wordt dat wel wat gecompenseerd door afgebeelde voorwerpen uit de betreffende tijd, maar 38 is ook niet echt veel, als je het spreidt over die 10 eeuwen.
Er zijn ook nog 23 foto’s van historische gebouwen en een re-enactment (waar ikzelf nog als monnik op de rug te zien ben: uiterst rechts, p. 59), 11 kaarten (mooi en fris vormgegeven) en mijn persoonlijke favorieten: de 11 reconstructies. Met name die van historische landschappen vanuit de lucht door Ulco Glimmerveen vind ik zeer geslaagd. Uit eigen ervaring weet ik echter dat er veel meer te vinden is over die perioden die in dit boek zo spaarzaam van tijdeigen materiaal zijn voorzien. Dit is voor mij weer de zoveelste gemiste kans.

Ben ik dan ontevreden over Nederland in de middeleeuwen? Geenszins. Ik vind het een mooi, behoorlijk compleet en goed geschreven boek, waar de al wat ingevoerde leek veel van zijn gading in kan vinden. Een volstrekte leek zal echter niet altijd begrijpen wat Kuipers bedoelt en dat is misschien jammer, maar een bezoekje via Google aan Wikipedia kan daar antwoorden voor leveren. De vraag is alleen: gaat men dat doen? En, nog belangrijker, wie gaat dit lezen? Historici, en met name mediëvisten, weten dit allemaal al en ze kennen de plaatjes van haver tot gort. Is het boek dan bedoeld voor onderwijzers en leraren die hun stof willen uitdiepen? Die kennen en/of bezitten waarschijnlijk de boeken van Speet al. Bovendien: hebben ze wel de tijd om deze kennisverbreding toe te passen? Gaan leerlingen dit boek dan kopen of voor Sinterklaas krijgen? Ik betwijfel het. Daarvoor is het te veel: meer van hetzelfde, dat ze al uit de lesboeken kennen. Ik denk niet dat ze dertig euro gaan uitgeven aan wat extra lesstof. Behalve misschien die enkeling die later historicus wil worden (zijn die er nog?). Dus wat is dan het publiek? De grijze golf; mijn leeftijdsgenoten die van hun pensioen genieten en de historische musea bevolken? Ik weet dat de meesten kapitaalkrachtig zijn (hoewel…) maar als je het alleen van die groep moet hebben… Of misschien is het voor die spaarders die ook de andere canons al hebben en zo weer wat completer worden. Ook geen grote groep, lijkt me. Kortom: ik hoop voor de uitgever en de schrijvers dat het goed verkoopt, maar ik heb er een beetje een hard hoofd in. Over een jaar zullen we weten of ik hier te somber over was.



Jan Kuipers, mmv Goffe Jensma en Oebele de Vries, Nederland in de middeleeuwen. De canon van ons middeleeuws verleden (Zutphen 2011)



27.11.2011

De middeleeuwen als grabbelton


Dit is een recensie die bijna precies een jaar geleden verscheen op de Scapreel website. Ik heb mijn recensies naar mijn blog overgeplaatst, omdat ik op te veel verschillende plekken actief was. Ik concentreer me vanaf nu op Tiecelins Gekras.

“Het verleden is een grabbelton waaruit iedere nieuwe generatie stukken en fragmenten te voorschijn haalt om er een verhaal van te maken dat haar kan helpen haar eigen tijd beter te begrijpen.” Deze zin komt voor in de ‘Slotbeschouwing’ van Peter Raedts historiografisch boek over hoe men in het verleden met de middeleeuwen omging: De ontdekking van de Middeleeuwen. Geschiedenis van een illusie (Amsterdam 2011). Hij heeft dan al ruim 300 pagina’s beschreven hoe men dat in Engeland, Duitsland en Frankrijk deed. Of niet, zoals bij ons. Maar daar kom ik nog op terug. Dat te voorschijn halen van stukjes middeleeuwen had dan echter wel een specifiek doel. En dikwijls was dat niet om de eigen maatschappij beter te begrijpen, maar meer om die in een bepaalde richting te masseren. Het gebeurde weliswaar door lieden die wij historici noemen, en die dat sinds de vroege negentiende eeuw ook echt waren, maar hun visie werd dan meestal wel overgenomen door de politici van hun eigen ‘zuil’. Ter meerdere eer en glorie van zichzelf, hun partij, hun kerk en hun vaderland, zoals ze dat zelf zagen. Dat wel.

Raedts neemt de lezer mee op een, interessante, tocht langs lieden die de invloed van de klassieken zat waren en naar een meer nabije herkomst van het eigene van hun land en volk zochten. Bij die zoektocht herontdekten ze de middeleeuwen en pasten die vervolgens aan hun ideeën over die tijd aan. Tegelijkertijd was er hun eigen agenda. Die stelden ze al lezend en denkend op om het aanzien van hun land in het veranderende Europa van na de Franse revolutie en de Napoleontische overheersing op te peppen. Maar er waren ook zoekende geesten die de gevolgen van de industriële revolutie verafschuwden en daarom zochten naar een alternatief voor de harde commerciële wereld van het kapitalisme waarin ze zich niet thuisvoelden. Verlichting, romantiek, liberalisme, socialisme, nationalisme en de christelijke kerken, zowel katholiek als protestant, hadden alle hun beeld van de periode en elk zag er aanknopingspunten in om zijn/haar denkrichting of zuil te versterken. Het verwijzen naar de middeleeuwen was verder een poging om het louter lokaal – of hoogstens regionaal - geïnteresseerde volk van de door de revoluties uit elkaar geslagen, versnipperde landen een gezamenlijk groots verleden terug te geven. Zo kon men zich dan koesteren in de warmte van romantische verhalen over heldhaftige voorouders, vorsten en geestelijken. Het zou tegelijkertijd voor een hechtere, echt nationale achterban voor vorst en regering zorgen.

In zijn voorwoord schrijft de auteur dat het beeld dat die zoekers, historici, filosofen en geestelijken van de middeleeuwen hadden een illusie was. Ze zochten naar een oplossing voor het failliet van de klassieke opvoeding, de chaos van de revoluties en de kilte van de industriële samenleving en vonden die ook. In hun eigen verbeelding. Want ze zetten heel gemakkelijk dat wat ze in bronnen over de middeleeuwen lazen naar hun eigen utopische denkbeelden om. Ze zochten naar “echtheid, eigenheid en gemeenschap” en herkenden die in ‘typisch’ middeleeuwse zaken als ridderlijkheid, de rijke cultuur van de middeleeuwse rooms-katholieke kerk en de gilden. Maar ze zetten ook de klassieke literatuur, die ze te gecompliceerd en kunstmatig begonnen te vinden, af tegen het authentieke geluid van dichters uit hun eigen, middeleeuwse, geschiedenis. Die werd dan als veel authentieker en dus echter ervaren. Daarbij ontzagen sommigen zich niet om daarmee te frauderen en gewoon teksten te verzinnen, zoals de Schot MacPherson in 1765 met de werken van Ossian deed, zogenaamd een bard, zoon van de mythische krijger Fionn mac Cumhaill (Finn McCool). Bijna iedereen trapte erin, waaronder zulke grootheden als Walter Scott, Goethe en Napoleon. En dat was niet de enige mythe die over de middeleeuwen werd gefabriceerd. Daarbij bleken ze bijzonder taai. Het is niet voor niets dat de middeleeuwen als historische periode tegenwoordig bijna niemand meer iets zeggen, maar dat de moderne mens gek is op de “populaire cultuur van historische films, nagespeelde veldslagen en agressieve computergames”. Die zijn namelijk voor een groot deel geïnspireerd en gebaseerd op juist die mythes, fabels en sprookjes over “gemeenschap, riddertrouw, opofferingsgezindheid, solidariteit, eigenheid, authenticiteit en al die andere deugden die ons in verhalen over de Middeleeuwen worden aangeprezen...”. En natuurlijk: vrijheid. Om maar te zwijgen over heksen, tovenaars, magische zwaarden, monsters en schatten. Degenen die mij kennen en die mijn columns en blogs lezen weten hoe zwaar het vechten tegen deze bierkaai is.

Raedts behandelt achtereenvolgens het beeld van de middeleeuwen in de renaissance, de tijd van de hervorming, de beginnende en volle verlichting in Engeland, Duitsland (waar Herder de invloedrijkste geleerde is) en Frankrijk. Daarna komt uiteraard de post-revolutionaire periode aan de orde met de romantici die een plaats voor het volk opeisten en die in alle drie landen ongeveer tegelijk tegen de overheersing van vreemden en dictators in opstand kwamen en hun eigenheid als natie propageerden. Het was de tijd van patriottisme en nationalisme, waarbij de Engelsen op hun oeroude parlement wezen dat sinds de middeleeuwen het teken van hun vrijheid was. De Duitsers zagen in hun versnipperde middeleeuwse staatjes het vrije, zelfstandige en, waar nodig, agressieve Duitse karakter onder de bezielende leiding van de keizers terug, terwijl men zich in Frankrijk kon vinden in de gemeenschap van vrije Fransen onder hun zeer katholieke koningen (volgens Michelet).

Wie daar echter helemaal buiten vielen waren de Nederlanders. Niet dat er hier geen belangstelling was voor de middeleeuwen in de eeuw na de Franse tijd; historische romans, middeleeuwse bronnenuitgaven en de geliefde neo-gotiek in de kerkarchitectuur van de geëmancipeerde katholieken bewezen dat wel. Maar voor Nederland waren de opstand en de Gouden Eeuw veel belangrijkere ijkpunten voor hun nieuwe natie na 1830, al hadden de vaderlandse katholieken daar gemengde gevoelens bij. Omgekeerd weigerde koning Willem III het in neo-gotische stijl opgetrokken Rijksmuseum te betreden omdat hij het eerder een klooster vond dan een museum. Weliswaar vonden in de twintigste eeuw historici als Huizinga en Geyl met respectievelijk het sombergekleurde tafereel van de Bourgondische tijd in zijn nadagen en de groot-Nederlandse gedachte een zeker publiek (dat voor Herfsttij nog steeds bestaat) maar beide werden op den duur toch door de tijd ingehaald. De mediëvistiek in Nederland is, naar eigen ervaring, eerder een ondergeschoven kind gebleven en dreigt nu ook weer in één vat met de vroeg-modernen gegoten te worden. Daar is Raedts overigens niet tegen. Die zou graag zien dat er een nieuwe tijdperken-indeling komt: oudheid tot 1000, middeleeuwen van 1000 tot 1800 en nieuwe tijd van 1800 tot nu. Het is een intrigerend voorstel dat ik nog eens beter tot me door moet laten dringen, maar hier ga ik er verder niet op in.

In het tweede deel van het boek behandelt Raedts hoe de katholieken, de socialisten en de nationalisten over heel Europa hun eigen middeleeuwen vonden en toepasten. De eersten door terug te gaan naar een strict vanuit Rome geleide internationale geloofsgemeenschap gebaseerd op middeleeuwse liturgie, cultuur en kunst. De socialisten door de strijd aan te gaan met de kapitalistische stedelijke elite en werkers te organiseren in gilden die uitgroeiden tot vakbonden. En als laatste de nationalisten die een etnisch-raciale draai aan de diverse autochtone volken gaven door hun middeleeuwse roots te verheerlijken, hetgeen uitdraaide op de bekende uitwassen tegen de vreemdeling die daar niet in paste. Dit deel bevatte nogal wat herhalingen en las wat stroever dan de eerste helft van het boek, maar het was niet minder treffend. Als nog maar recent afgestudeerd mediëvist was ik natuurlijk bekend met de historiografie, ook die over de middeleeuwen. De Ontdekking van de Middeleeuwen is echter wel degelijk een ogenopener. Zeker als je binnen één werk kunt vergelijken hoe de vier bestudeerde landen met hun middeleeuwse verleden omgingen, en waarom. Ik betwijfel of dit in die drie buitenlanden ooit zo is opgeschreven. Een zeer nuttig en goed leesbaar boek dus. Het moet zeker op het nachtkastje van elke geschiedenisstudent liggen, en niet alleen zij de middeleeuwen-vroeg modern doen. Al was het alleen maar om te zien hoe geschiedenis in het verleden voor politieke doeleinden misbruikt werd. En misschien nog wel wordt.

De auteur pleit er aan het eind van zijn slotbeschouwing voor dat de moderne historicus de vreemdheid van die tijd ten volle tot zich moet laten doordringen en deze ter sprake moet brengen zonder dat arrogantie van de macht “het ritme van zijn spreken gaat vormen”. Hierbij moet hij/zij ervanuit gaan dat middeleeuwers niet dom waren en best voor zichzelf konden spreken. Hij/zij moet zich er echter tegelijkertijd rekenschap van geven dat zijn eigen cultuur volkomen anders is. Anders kunnen de grote verschillen tussen ons immers niet ter sprake gebracht worden? Met andere woorden: onze westerse cultuur heeft in de loop der eeuwen zoveel macht over zijn omgeving verworven dat wij het idee hebben dat wij de hele wereld aankunnen en beheersen. Natuurlijk is dat uiteindelijk niet zo, maar de middeleeuwer (en allen voor hen en velen na hem) beheerste niets en was bijna volledig overgeleverd aan wat met hem gebeurde. Dat tekende zijn houding tegenover zijn medemens, de kerk, de vorst, geweld, ziekte, misoogst en de vreemdeling. Hij vocht elke dag tegen de chaos. Ik kan niet anders dan dat volledig met de schrijver eens te zijn. Als gewezen beoefenaar van ‘levende geschiedenis’ en ervaringsdeskundige van het leven in replica’s van middeleeuwse huizen in Archeon kan ik alleen maar bewondering hebben voor mijn voorouders, omdat zij ondanks de met ons vergeleken primitieve omstandigheden waaronder ze leefden toch zoveel voor elkaar kregen.

Intussen is de periode tussen circa 500 en 1500 in de eeuwen erna vooral gebruikt als excuus voor het doorvoeren van maatregelen die niet veel met de middeleeuwen te maken hadden. Maatregelen die tot nu toe hun invloed hebben op het denken van zowel geleerden als politici, van kunstenaars en gewone mensen. Als het onderwijs, dat net zo aangetast is door die illusie, hier geen beter verhaal tegenover zet, zal het nog wel eeuwen zo blijven ook. Ondanks de protesten van mediëvisten. Vandaar dat je bij het onderwijs moet beginnen om dat beeld te veranderen. Ik ben daar hard mee bezig, maar het gaat langzaam. Intussen: dit boek is een aanrader. Ik hoop dat leken dit ook gaan lezen en zo aan de weet komen waar hun ideeën over dat oh zo romantische, maar tegelijk zo duistere tijdperk vandaan komen.

15.1.2012

Peter Raedts, De ontdekking van de middeleeuwen. Geschiedenis van een illusie (Amsterdam 2011)

vrijdag 11 januari 2013

De binnenste cirkels van de grijze hel

“Dit is een mysterie!” sprak de rondleidster in museum Boijmans. Ze hield haar tablet op en toonde een close-up van een insect dat was geland op wat grassprieten. “Want ziet u wat dit is?” De grijze koppetjes zuchtten: “Een libelle!”, want met dat damesblad waren ze al vele tientallen jaren bekend. “Juist,” fluisterde de kunsthysterica, “En dat is nou juist het vreemde. De libelle was een dier gewijd aan de duivel…” En toen haakte ik af. Ze had  het al gepresteerd om het appeltje dat Maria aan het schillen was direct te linken aan de zondeval en had ook al vermeld dat er wel 37 soorten bloemen op het kleine paneeltje met Maria en kind in een besloten tuin te zien waren (“Gasp”, deden de vrouwtjes), maar dit deed de emmer overstromen.

Ik was dus op De weg naar Van Eijck tentoonstelling in museum Boijmans. Eigenlijk was ik dat helemaal niet van plan, want ik houd niet van die megalomane publiekstrekkers. Door de loop van de tijd had ik echter al veel keer gehoord en gelezen dat ik daar, als mediëvist, toch geweest moest zijn. En dan gaat het toch kriebelen. Toevallig was ik dan ook vandaag in de gelegenheid. Hij is nog niet helemaal afgelopen, dus je hebt kans dat het niet te druk is met laatste moment bezoek en ik was er circa half drie. Dan sta je in ieder geval niet in de rij bij de kassa. En dat klopte. Boijmans is zo groot dat het feit dat het drukker is dan normaal niet erg opvalt. Natuurlijk verdicht het publiek zich wel hoe meer je de afgesloten ruimte met de Van Eijck-klapper nadert, maar ik heb het wel erger meegemaakt.


Maar wat een afgang. Je komt in die grote tentoonstellingszaal en alles is grijs. Een soort somber doodsgrijs. En in het midden zijn hoge cirkelvormige muren gezet, de één binnen de ander. Ik vermoedde direct dat het echte werk van onze Jan in de binnenste cirkel te zien zou zijn en dat klopte. Ik kreeg echter wel last van associaties met Dante en zag het geheel als de binnenste krochten van een askleurige hel, bevolkt door even grijze zondaars met boekjes met te kleine lettertjes voor die varifocusbrillen in de hand. En met  koptelefoons op het hoofd verbonden met smartphones die de gerimpelde nekken van onderaf spookachtig verlichtten. Er was alleen geen geween en gekners van tanden, maar misschien waren de helbewoners inmiddels gewend aan de ellende en waren ze gewoon rustig depressief. Ik heb begrepen dat dat ook een soort van hel is.

En beurde de kunst je nou nog op… Natuurlijk zijn die paar stukken van Van Eijck meesterwerkjes, maar dat kun je helaas niet zeggen van zijn voorgangers en navolgers. Te veel kruisigingen op altaarstukjes, te veel Maria’s met kind, te veel Ecce Homo’s, etc. etc. En dat allemaal in goudblad en met die zuurstokkleuren van de massa-productie uit de ateliers die voor de ‘markt’ werkten. Oh, er zaten best mooie stukjes boek-illuminatie in, er waren zelfs twee pleurants van Claes Sluter (eindelijk eens een keer geen Claus), dus er was best wat te genieten, maar het geheel stond me na een uur behoorlijk tegen. Een kleurig gekleed kaal kunstenaarstype maaide met een imaginair machinegeweer de “Avro-trutten”, zoals hij ze noemde, neer in de op één na binnenste cirkel. Hij kon er, zogenaamd, niet meer tegen. Ik kon een heel eind met hem meegaan.

Het waren dus weer allemaal collega grijze-golvers (ik zag drie vrouwen van onder de dertig, waarvan één met een kinderwagen, geen mannen) maar de rest was allemaal dik boven de 50. Niet dat ik ze dit misgun, maar én hun hinderlijke te lange aanwezigheid bij de kunstvoorwerpen, én hun extatische, maar bescheiden gilletjes bij weer een gedrapeerd plooitje, én hun volkomen foute opmerkingen over wat ze zagen maar niet begrepen, komen me inmiddels de strot uit. Al zal dat best een elite-opvattinmg zijn, maar kan ik het helpen dat ik hier enig verstand van heb? En wanneer wordt het nu eens verboden in tentoonstellingsruimtes om, als ze naar de ellenlange kunsthysterische uitleg luisteren op hun earphones en het plaatje op hun smartphone zien, vlak voor het betreffende kunstwerk te blijven hangen zodat mensen zonder die dingen niks kunnen zien. Er moeten als het aan mij ligt suppoosten komen die mensen na een minuut doorschuiven, desnoods met de zweep erover. Kan ook extra mensen aan werk helpen, en dat is nooit weg.

Natuurlijk waren er ook films/video’s, waaronder een krakemikkige animatie over het leven van de ‘kunstenaar’. Onvermijdelijk en niet te missen was Herman Pleij die de goegemeente de laat-middeleeuwse maatschappij uit moest leggen, en dat deed hij op zijn geheel eigen wijze en vakkundig. Verder was er nog een docu over een door meneer Van Beuningen zelf aangeschaft laat-middeleeuws schilderij (vrouwen bij het graf) dat voor de expo is gerestaureerd. Best aardig om te zien, maar toen ze gingen reconstrueren waar het ding dan in het Engelse museum had gehangen voor Van Beuningen het in 1940 kocht, ben ik maar weer weggegaan.

Ik kwam er chagrijnig vandaan en toen ook nog eens mijn favoriete Ierse pub dicht was, viel mijn middag behoorlijk stuk. En nou doe ik het echt nooit meer, dus ik ga niet naar Rafaël en Toetankamon en al die andere prestige expo’s. En ik wacht wel tot de catalogus in de  ramsj ligt.

zaterdag 18 augustus 2012

Eindelijk in de Schatkamer


Na twee eerder mislukte pogingen is het me gisteren gelukt de rondleiding Schatkamer Domplein in Utrecht mee te maken. In het geheel viel het me niet tegen. De 3D video’s van het Domplein sinds de Romeinse tijd zijn echt heel goed, de vormgeving van de uitleg is mooi gedaan en de rondleidster die we hadden (‘we’ waren een moeder met zoon van ca 12 en ik) was aardig en deed het goed. Ook toen ik had laten vallen dat ik al wat voorkennis had vanwege mijn beroep, hetgeen toch iets initmiderends kan hebben. Daar was dus niks mis mee. Het inleidende filmpje was echter een andere zaak. Het was best mooi gefilmd, al was het wat bombastisch. En dat gold ook voor de eronder gespeelde muziek. Wat echter heel erg beneden de maat was waren de kostuums van de ‘acteurs’ (op die van de Romeinen na). Daar klopte echt geen hout van. Willibrord stond met een mini 19e eeuws priesterstolaatje over een vaag wit gewaad te oreren. De keizer uit ca 1100 had een volkomen nep uitmonstering aan en zijn tegenspeler de bisschop droeg liturgische kleding en mijter van eeuwen later. De scenes met de bouwmeester zouden in de 14e eeuw spelen, maar lieten huurkleding die iets 16e eeuws moesten voorstellen zien en toen de man als monnik terugkwam om zijn werk te bekijken droeg hij een 15e eeuwse Franciscaner pij. Hij bezat ook nog een in de 14e eeuw niet voorkomende ‘dopersbaard’ (zonder  snor dus). Ook op de 17e eeuwse kleding was veel aan te merken evenals  op die van de studenten uit de 19e eeuw. En tussendoor liep overal een jongetje  rond met een 16e eeuwse baret op, een 17e eeuwse jas en broek aan en bontlaarsjes die hij waarschijlijk in de Uggi Shop had gehaald. Kortom een festijn van anachronismen. Met wat advies van een deskundige waren deze flaters te voorkomen geweest.

Ook op de inhoud van de rondleiding was het nodige aan te merken. Ik heb er begrip voor dat je bij leken niet met te veel feiten en jaartallen aan moet komen, maar het vertellen van fabels is het andere uiterste. Over Willibrord, de bisschoppen, de keizer, kanunniken, de bouwmeester Jan van Henegouwen die hoogstwaarschijnlijk niet dezelfde was als Jan van den Do(e)m en de stenen knoop in het pandhof werden sprookjes verteld; geen geschiedenis. Ook is het van belang dat feiten kloppen en dat je goed uitlegt wat bepaalde termen betekenen. Het werd bijvoorbeeld niet duidelijk wat immuniteiten nu eigenlijk waren. Dat het afgescheiden gebiedjes waren waar de kanunniken woonden die er hun eigen boontjes dopten en hun eigen rechtspraak deden was duidelijk. Dat de bisschoppen sinds de 14e eeuw er een vinger in de pap probeerden te krijgen en dat de stad er in de 15e eeuw de rechtsmacht aan de kanunniken had ontrokken werd niet verteld. Wat kanunniken eigenlijk waren, behalve “een soort monniken”, en wat ze daar rond de dom deden werd ook niet verder uitgelegd. Ook over de verwoestingen door de Noormannen en het verblijf elders van de bisschop werd tegenstrijdige informatie gegeven. En de Investituurstrijd en zijn oorzaken en gevolgen werden wel erg versimpeld. Ook hier had de inbreng van een historicus met verstand van zaken veel goed kunnen  doen. De rondleidster vertelde ook nog dat Utrecht door de Duitse keizer in de vroege middeleeuwen tot aartsbisdom werd verheven, maar was in de war met de verheffing van 1559. Als dat eerste waar was geweest had de bisschop waar ze het steeds over had wel aartsbisschop geheten.

Kortom: voor de leek viel er nogal wat te genieten, vooral in de kelder, maar de kenner was behoorlijk teleurgesteld over het historische gehalte van de film en de vertelde verhalen. Op door deze kenner gestelde vragen kwamen overigens ook meestal geen antwoorden omdat de rondleidster die niet wist. Maar ik ben natuurlijk niet de gemiddelde bezoeker.